Socialezekerheidsrecht

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Vergoeding wettelijke rente. Schadevergoeding wegens…

Centrale Raad van Beroep, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
22/1415 ZW
Procedure
Proceskostenveroordeling
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1418
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Vergoeding wettelijke rente. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

22/1415 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2022, 20/2779 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] [gemeente] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 21 oktober 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek.

Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft psychiater drs. A.B. van Nijen als onafhankelijk deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 17 september 2023 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze gegeven op het rapport. De Raad heeft vervolgens verzekeringsarts drs. T.J. Cheng als onafhankelijk deskundige benoemd, die op 4 maart 2026 rapport heeft uitgebracht. Partijen hebben ook op dit rapport hun zienswijze gegeven.

Het Uwv heeft op 20 april 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en de uitkering op grond van de Ziektewet van appellante per 14 oktober 2019 voortgezet.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door haar geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering en schade ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn.

Het Uwv heeft te kennen gegeven akkoord te gaan met een proceskostenveroordeling overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In de beslissing op bezwaar van 20 april 2026 zijn de kosten in bezwaar al vergoed. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op

€ 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een reactie op het deskundigenrapport van Van Nijen en 0,5 punt voor de zienswijze op het rapport van Cheng). De ingediende factuur van Physiomotion ter hoogte van € 87,05 komt eveneens voor vergoeding in aanmerking. De door appellante gevraagde vergoeding van reiskosten komt tot een bedrag van € 44,76 voor vergoeding in aanmerking. Het betreft de reiskosten van appellante voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep tot een bedrag van respectievelijk € 8,10 en € 36,66 op basis van openbaar vervoer tweede klasse. De kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bezoeken van de deskundigen psychiater Van Nijen en verzekeringsarts Cheng worden door de Raad vergoed. Die reiskosten zullen worden vergoed op basis van kosten van het openbaar vervoer tweede klasse. Het gaat dan om een bedrag van twee keer € 51,- en € 8,08.

Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012.

Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Schadevergoeding

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt.

In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 20 april 2026 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 27 september 2019 tot de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure afgerond zes jaar en zeven maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en (afgerond) 7 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 3.000,-.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het bestreden besluit van 14 april 2020 afgerond zeven maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn met (afgerond) een maand is overschreden. Voorts is sprake van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase nu deze meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is dus zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 96,77 (1/31 deel van € 3.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.903,23 (30/31 deel van € 3.000,-).

Er bestaat tevens aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt met een waarde per punt van € 934,-) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50. Het totale bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende door het Uwv te betalen proceskosten bedraagt hiermee € 5.035,31.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor vermeld;

  • veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 96,77;

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.903,23;

  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.035,31;

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;

  • bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.


(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M.S. van Veller

CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.