Socialezekerheidsrecht

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Centrale Raad van Beroep, 26 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 26 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Datum publicatie
28 augustus 2026
Zaaknummer
22/1017 WIA
Procedure
Proceskostenveroordeling
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1116
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Uitspraak

22/1017 WIA

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2022, 20/6607 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.C.G. Martens, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op 23 maart 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en appellante met ingang van 24 juni 2020 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend.

Bij brief van 13 april 2026 heeft appellante haar hoger beroep ingetrokken, waarbij zij heeft verzocht het Uwv in de proceskosten te veroordelen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nieuwe zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 maart 2026 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.

Appellante krijgt een vergoeding voor de kosten die zij in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken. De kosten voor rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-). Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat de gemaakte kosten voor twee rapporten van het Expertise Instituut niet voor vergoeding in aanmerking komen. Deze rapporten zijn niet in deze procedure ingebracht, maar in een andere procedure bij de rechtbank Amsterdam. Zoals het Uwv heeft gesteld, kan appellante wel om vergoeding van deze kosten verzoeken in die beroepsprocedure. De verzendkosten van € 7,- komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat artikel 1 van het Bpb niet in vergoeding van deze kosten voorziet.

Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 934,-;

- bepaalt dat het Uwv de door appellante betaalde griffierechten van in totaal € 184,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) M.G.J. van Eck