Socialezekerheidsrecht
Hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd vormt geen grond om de niet tijdige betaling van het griffierecht…
Centrale Raad van Beroep, 17 augustus 2005
ECLI:NL:CRVB:2005:AU1950 · Centrale Raad van Beroep · 17 augustus 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2005-au1950
Zaakgegevens
Op 17 augustus 2005 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 augustus 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 04/2857 WW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2005:AU1950
Samenvatting
Hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd vormt geen grond om de niet tijdige betaling van het griffierecht verontschuldigbaar te achten. Verzet is ongegrond.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/2857 WW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens opposant heeft mr. G.C. Mourits, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 6 april 2004 tussen partijen gegeven uitspraak, kenmerk WW 03/2446-PRC.
Bij uitspraak van 1 september 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant het griffierecht niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan.
Tegen deze uitspraak is verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 6 juli 2005 waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
In verzet heeft gemachtigde van opposant meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht vijf werkdagen nadat het griffierecht betaald had moeten zijn van de rekening van gemachtigde is afgeschreven. Nu het aanvullend beroepschrift reeds op 15 juli 2004 was ingediend en het verzuim ten aanzien van de betaling van het griffierecht uiterst gering is had de Raad in alle redelijkheid en billijkheid het beroep niet niet-ontvankelijk behoren te verklaren. Voorts heeft de gemachtigde van opposant meegedeeld dat er onzorgvuldig is gehandeld jegens opposant nu de uitspraak van 1 september 2004 eerst op 25 oktober 2004, derhalve bijna 8 weken later, aan gemachtigde van opposant is verzonden.
Hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd vormt geen grond om de niet tijdige betaling van het griffierecht verontschuldigbaar te achten. De Raad overweegt daartoe dat de verplichting tot het betalen van het griffierecht niet afhankelijk gesteld kan worden van het indienen van de gronden van het beroep. Tevens laat de beweerdelijke onzorgvuldigheid onverlet dat het griffierecht binnen de gestelde termijn voldaan moet worden om het hoger beroep ontvankelijk te doen zijn.
Het verzet moet derhalve ongegrond worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) P. Boer.
RW168