Socialezekerheidsrecht

Verzoek om wraking kennelijk niet-ontvankelijk en daarom op grond van artikel 8:18, derde lid, Awb zonder…

Centrale Raad van Beroep, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
AWB 26/705 PW-W
Procedure
Verzet
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1369
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om wraking kennelijk niet-ontvankelijk en daarom op grond van artikel 8:18, derde lid, Awb zonder behandeling ter zitting afgedaan.

Uitspraak

26/705 PW-W, 26/1806 AW-W

Datum beslissing: 20 oktober 2026

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2026, 26/705. Daarnaast heeft verzoekster hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 8 september 2011, 11/1404.

Verzoekster heeft verzocht om wraking van de rechter die belast is met de behandeling van het verzet en om wraking van de Raad.

OVERWEGINGEN

1.1.

Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

1.2.

Ingevolge artikel 8:18, derde lid, van de Awb kan de meervoudige kamer in een wrakingszaak, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, beslissen het verzoek zonder behandeling ter zitting af te doen.

2. Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de Raad betrokken is bij een fraudeonderzoek als gevolg van een procedure op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering, die verzoekster is gestart bij het gerechtshof Den Haag dan wel het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit lopende fraudeonderzoek zou aanleiding zijn voor de Raad om verzoekster toegang tot de rechter te ontzeggen.

3.1.

Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.

3.2.

Uit wat verzoekster ter onderbouwing van haar wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht blijkt dat het enkel is ingegeven door algemene onvrede over, en wantrouwen jegens, de Raad. Hierdoor heeft het verzoek geen betrekking op een met de behandeling van de zaak belaste rechter. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

3.3.

Nu het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, zal de Raad het verzoek om wraking zonder behandeling ter zitting afdoen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om wraking niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door T. Dompeling als voorzitter en J.D. Streefkerk en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.

De griffier De voorzitter

(getekend) P.W.J. Hospel (getekend) T. Dompeling

Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36463, nr. 3, p. 17-18.