Socialezekerheidsrecht
Verzet ongegrond. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant gedurende de - gehele…
Centrale Raad van Beroep, 21 december 2010
ECLI:NL:CRVB:2010:BO8882 · Centrale Raad van Beroep · 21 december 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2010-bo8882
Zaakgegevens
Op 21 december 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 21 december 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10-2186 AOW-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2010:BO8882
Samenvatting
Verzet ongegrond. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant gedurende de - gehele - termijn niet in staat is geweest een hogerberoepschrift op te (laten) stellen en vervolgens in te dienen. Appellant heeft ook geen verklaring kunnen geven voor het feit dat hij daartoe - kennelijk - wel één dag na het verstrijken van de termijn in staat was, en daarvoor niet.
Uitspraak
10/2186 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 maart 2010, 09/3311 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 21 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van 9 juli 2010 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 9 juli 2010 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 29 november 2010. Appellant was aanwezig. De Svb is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 9 juli 2010 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend was 13 april 2010. Het hogerberoepschrift is op 14 april 2010 verzonden.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring desondanks achterwege, indien de indiener niet kan worden verweten dat de termijn is overschreden.
In het verzetschrift en ter zitting heeft appellant verklaard dat hij als gevolg van een ongeval half maart 2010 een zware hersenschudding, twee gebroken vingers en verwondingen aan zijn gezicht heeft gehad. De gebroken vingers van appellant zijn inmiddels vergroeid, zodat hij veel moeite heeft met schrijven.
De Raad ziet hierin onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant gedurende de - gehele - termijn niet in staat is geweest een hogerberoepschrift op te (laten) stellen en vervolgens in te dienen. Appellant heeft ook geen verklaring kunnen geven voor het feit dat hij daartoe - kennelijk - wel één dag na het verstrijken van de termijn in staat was, en daarvoor niet.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2010.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven
GdJ