Socialezekerheidsrecht
Verzet gegrond. De Raad acht niet onaannemelijk dat bij appellant verwarring is ontstaan over de…
Centrale Raad van Beroep, 14 februari 2014
ECLI:NL:CRVB:2014:438 · Centrale Raad van Beroep · 14 februari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2014-438
Zaakgegevens
Op 14 februari 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 februari 2014
- Datum publicatie
- 14 februari 2014
- Zaaknummer
- 13-3559 WIA-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:438
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet gegrond. De Raad acht niet onaannemelijk dat bij appellant verwarring is ontstaan over de verschuldigdheid van het griffierecht in deze zaak gezien de samenhang met het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer 13/3560 WIA, in welke zaak appellant het griffierecht wel heeft voldaan. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval heeft de Raad het door appellant betaalde griffierecht in de zaak 13/3560 WIA toegerekend aan deze procedure. Het verzet is daarom gegrond.
Uitspraak
Datum uitspraak: 14 februari 2014
13/3559 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2013, 13/2347 en 13/2616 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 23 oktober 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2013 heeft appellant verzet gedaan.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 23 oktober 2013 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 20 augustus 2013 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De Raad is - thans - van oordeel dat het verzuim appellant niet kan worden verweten. De Raad acht niet onaannemelijk dat bij appellant verwarring is ontstaan over de verschuldigdheid van het griffierecht in deze zaak gezien de samenhang met het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer 13/3560 WIA, in welke zaak appellant het griffierecht wel heeft voldaan. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval heeft de Raad het door appellant betaalde griffierecht in de zaak 13/3560 WIA toegerekend aan deze procedure. Het verzet is daarom gegrond.
Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2013 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van
D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
14 februari 2014.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven
IvR