Socialezekerheidsrecht
Verzet ongegrond. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.
ECLI:NL:CRVB:2014:4384 · Centrale Raad van Beroep · 23 december 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2014-4384
Zaakgegevens
Op 23 december 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 december 2014
- Datum publicatie
- 23 december 2014
- Zaaknummer
- 14-971 WUV-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:4384
Samenvatting
Verzet ongegrond. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Datum uitspraak: 23 december 2014
14/971 WUV-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], België (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht van 25 september 2014 heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van verweerder van 23 januari 2014 niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 9 december 2014, waar appellant is verschenen. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 25 september 2014 berust op de overwegingen dat de gronden van het beroep niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 19 mei 2014 gestelde termijn van vier weken zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is.
De laatste dag waarop tijdig de gronden van het beroep konden worden ingediend, is 16 juni 2014. Bij brief gedateerd 22 mei 2014, bij de balie van de Raad afgegeven op 20 juni 2014, heeft appellant de gronden van het beroep ingediend. Dat is niet binnen de gestelde termijn.
In verzet heeft appellant aangevoerd dat hij voor de onderbouwing van zijn beroepschrift een aantal mensen moest benaderen, onder wie zijn tandarts en chirurg, en dat dit, mede door de vakantieperiode, niet binnen de gestelde termijn is gelukt.
De Raad ziet hierin geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Volgens vaste rechtspraak (ook) van de Raad ligt het in een situatie als deze op de weg van de betrokkene om zich binnen de termijn tot (de griffie van) de Raad te wenden en om verlenging van de termijn te vragen. Dat heeft appellant echter niet gedaan. Van feiten of omstandigheden die hebben veroorzaakt dat appellant daartoe niet in staat is geweest, is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
De Raad ziet aanleiding te bepalen dat het in beroep betaalde griffierecht aan appellant wordt terugbetaald.
Voor een veroordeling in de kosten van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het verzet ongegrond;
- bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 45,- door de griffier van de
Centrale Raad van Beroep aan appellant wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.