Socialezekerheidsrecht

Verzetschrift niet tijdig ingediend. Niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel…

Centrale Raad van Beroep, 24 februari 2014

Zaakgegevens

Op 24 februari 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24 februari 2014
Datum publicatie
3 maart 2014
Zaaknummer
13-1922 WAO-V
Procedure
Verzet
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2014:686
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzetschrift niet tijdig ingediend. Niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verzoeker niet kan worden verweten. Verzet niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 februari 2014

13/1922 WAO-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak, bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht, op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

11 januari 2013, 11/3833

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Zitting heeft: T.G.M. Simons

Griffier: D.W.M. Kaldenhoven

Ter zitting is niemand verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Vaststaat dat het verzetschrift niet tijdig is ingediend. Verzoeker heeft daar geen verklaring voor gegeven. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verzoeker niet kan worden verweten.

Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) D.W.M. Kaldenhoven (getekend) T.G.M. Simons

TM

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),

statue:

Déclare l’opposition contre la présente décision interjeté non-recevable.

Par conséquent, décidée par T.G.M. Simons en présence de D.W.M. Kaldenhoven en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 24 février 2014.