Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep · Verzet · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 20 november 2015
ECLI:NL:CRVB:2015:4288 · Centrale Raad van Beroep · 20 november 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2015-4288
Zaakgegevens
Op 20 november 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 november 2015
- Datum publicatie
- 2 december 2015
- Zaaknummer
- 14/1074 WIA-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2015:4288
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet gegrond.
Uitspraak
14/1074 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2013, 13/1055 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] ., gevestigd te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Datum uitspraak: 20 november 2015
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 28 mei 2014 heeft de Raad het namens appellante door mr. K.U.J. Hopman, advocaat, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante heeft mr. Hopman verzet gedaan.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 28 mei 2014 berust op de overweging dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) appellante niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
Mede gelet op wat in het verzetschrift is aangevoerd ziet de Raad in de - bijzondere - omstandigheden van dit geval aanleiding de termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar te achten. De gedingstukken bieden onvoldoende duidelijkheid over de gang van zaken rond de aangetekende brief waarbij de griffier van de rechtbank het afschrift van de aangevallen uitspraak aan de gemachtigde van appellante heeft verzonden. Die onduidelijkheid behoort niet ten nadele van appellante te werken. Uit de gedingstukken komt verder naar voren dat de rechtbank heeft nagelaten het onderzoek te sluiten, nadat zij dat na een eerdere sluiting
- impliciet - weer had heropend. Daardoor hoefde (de gemachtigde van) appellante ook niet bedacht te zijn op de ontvangst van een uitspraak. Kort nadat de griffier van de rechtbank bij gewone brief het afschrift van de aangevallen uitspraak opnieuw had verzonden, is het hogerberoepschrift ingediend.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van 28 mei 2014 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2015.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) P. Boer