Socialezekerheidsrecht
Verzet niet-ontvankelijk. De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellanten geen gebruik heeft gemaakt…
ECLI:NL:CRVB:2019:2093 · Centrale Raad van Beroep · 28 juni 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2019-2093
Zaakgegevens
Op 28 juni 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 juni 2019
- Datum publicatie
- 28 juni 2019
- Zaaknummer
- 18/2842 PW-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:2093
Samenvatting
Verzet niet-ontvankelijk. De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellanten geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 14 januari 2019 gestelde termijn van vier weken de gronden van het verzet in te dienen. Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat dit niet aan (de gemachtigde van) appellanten kan worden verweten, is niet gebleken.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Datum uitspraak: 28 juni 2019
18/2842 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Oost-Brabant van 5 april 2018, 17/3264 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 30 oktober 2018 heeft de Raad het door appellanten ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellanten heeft mr. drs. S.C. Blommendaal, advocaat, verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 mei 2019. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 30 oktober 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet is betaald, dat binnen de daartoe gestelde termijn geen gronden zijn ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellanten niet in verzuim zijn geweest.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De Raad stelt in dat verband vast dat de gemachtigde van appellanten geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 14 januari 2019 gestelde termijn van vier weken de gronden van het verzet in te dienen.
Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat dit niet aan (de gemachtigde van) appellanten kan worden verweten, is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2019.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) M.A.A. Traousis
JvC