Socialezekerheidsrecht
Verzet ongegrond. Niet verschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van het hogerberoepschrift.
Centrale Raad van Beroep, 28 juni 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:2096 · Centrale Raad van Beroep · 28 juni 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2019-2096
Zaakgegevens
Op 28 juni 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 juni 2019
- Datum publicatie
- 28 juni 2019
- Zaaknummer
- 18/3783 WMO-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:2096
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet ongegrond. Niet verschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van het hogerberoepschrift.
Uitspraak
Datum uitspraak: 28 juni 2019
18/3783 WMO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 februari 2018, 17/1525 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (college)
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 16 januari 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat, verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 17 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hendriks. Het college is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 16 januari 2019 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 3 april 2018. Het hogerberoepschrift is op 11 juli 2018 door de Raad ontvangen.
In verzet geeft de gemachtigde van appellant te kennen dat de voormalig gemachtigde van appellant het hogerberoepschrift op 30 maart 2018 zowel per post als per telefax, via een belcentrale, aan de Raad heeft toegezonden. Een afschrift van het verzendjournaal naar de belcentrale is overgelegd.
De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Op het verzendbewijs naar de belcentrale die de gemachtigde van appellant heeft overgelegd staat niet vermeld dat de fax ook daadwerkelijk naar de Raad is verzonden. Per post heeft de Raad evenmin een hogerberoepschrift ontvangen. Ook die verzending heeft de gemachtigde van appellant niet met bewijsstukken onderbouwd.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2019.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) M.A.A. Traousis
JvC