Socialezekerheidsrecht
Verzet ongegrond. De Raad is van oordeel dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op…
ECLI:NL:CRVB:2019:3650 · Centrale Raad van Beroep · 15 november 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2019-3650
Zaakgegevens
Op 15 november 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 november 2019
- Datum publicatie
- 18 november 2019
- Zaaknummer
- 18/5379 WAJONG-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:3650
Samenvatting
Verzet ongegrond. De Raad is van oordeel dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat hij niet in verzuim zijn geweest. De in artikel 8:41 van de Awb genoemde termijn voor betaling van het griffierecht is een fatale termijn. De door appellant genoemde omstandigheden maken dat niet anders. Appellant had zich tot een derde kunnen wenden om zich te laten informeren over de mogelijkheden om toch het griffierecht te kunnen betalen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Datum uitspraak: 15 november 2019
18/5379 WAJONG-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 september 2018, 18/942 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 mei 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 4 oktober 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 22 mei 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 3 januari 2019 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim zijn geweest.
Appellant heeft naar voren gebracht dat de wetgeving verschillende termijnen kent. Zo is de termijn voor de aanvraag van bijzondere bijstand ruimer dan de termijn voor de betaling van het griffierecht. Dit geeft verwarring. Ook heeft appellant te kennen gegeven dat hij te laat erachter is gekomen dat hij ook een aanvraag voor bijzondere bijstand had kunnen doen.
De Raad is van oordeel dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat hij niet in verzuim zijn geweest. De in artikel 8:41 van de Awb genoemde termijn voor betaling van het griffierecht is een fatale termijn. De door appellant genoemde omstandigheden maken dat niet anders. Appellant had zich tot een derde kunnen wenden om zich te laten informeren over de mogelijkheden om toch het griffierecht te kunnen betalen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2019.
(getekend) C.H. Bangma
De griffier is verhinderd te ondertekenen.