Socialezekerheidsrecht
De Raad verklaart het verzet ongegrond.
Centrale Raad van Beroep, 8 april 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:444 · Centrale Raad van Beroep · 8 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2026-444
Zaakgegevens
Op 8 april 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 april 2026
- Datum publicatie
- 17 april 2026
- Zaaknummer
- 25/1671 ONBEK-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:444
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De Raad verklaart het verzet ongegrond.
Uitspraak
25/1671 ONBEK-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 mei 2024, 24/778, 24/838, 24/840, 24/841, 24/842, 24/843, 24/844, 24/845 en 24/1 143 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 17 december 2025 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
Appellante heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet op 23 maart 2026 ter zitting behandeld. Appellante is verschenen.
OVERWEGINGEN
In het verzetschrift van appellante van 18 december 2025 voert zij aan dat zij in juni 2024 uitspraken vanaf 2003 heeft aangeleverd, welke zij gecorrigeerd zou willen zien. Verder is appellante van mening dat er bepaalde zaken niet goed opgepakt zouden worden. Daarnaast is appellante van mening dat er sprake is van samenhangende besluiten en dat daarom geen griffierecht geheven kan worden.
Appellante is op 24 december 2025 door de Raad in de gelegenheid gesteld om de gronden van het verzet in te dienen.
Hierop heeft appellante op 21 januari 2026 gereageerd dat er sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden en dat zij wenst gehoord te worden.
De Raad is van oordeel dat er geen sprake is van samenhangende besluiten. Daaruit volgt dat griffierecht geheven moet worden. Dat is gebeurd, maar betaling van het griffierecht is uitgebleven.
Verder is de Raad van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.W.L. Koopmans, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
(getekend) R.W.L. Koopmans
(getekend) D. Semiz