Socialezekerheidsrecht
De Raad verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Centrale Raad van Beroep, 9 april 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:449 · Centrale Raad van Beroep · 9 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2026-449
Zaakgegevens
Op 9 april 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 april 2026
- Datum publicatie
- 17 april 2026
- Zaaknummer
- 25/1239 WIA-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:449
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De Raad verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1239 WIA-V
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 mei 2025, 24/4863 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 april 2026
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 10 september 2025 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
In de uitspraak van de Raad van 10 september 2025 is het hoger beroep kennelijk nietontvankelijk verklaard omdat het hoger beroepschrift niet binnen de gestelde termijn is ingediend en op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is.
De uitspraak van de Raad van 10 september 2025 is verzonden op 17 september 2025. De termijn voor het indienen van verzet is zes weken na de verzending van het afschrift van de uitspraak. De termijn voor het doen van verzet is daarom verstreken op 29 oktober 2025. De Raad heeft op 11 november 2025 aan partijen meegedeeld dat geen verzet is gedaan. Op 14 november 2025 heeft de Raad een verzetschrift, gedateerd op 13 november 2025, van appellante ontvangen.
Ter zitting heeft appellante naar voren gebracht dat zij de uitspraak van de Raad van 10 september 2025 heeft afgehaald van het postkantoor, maar dat zij deze daarna kwijt is geraakt. Zij vermoedt dat de uitspraak op straat is gevallen. Na ontvangst van de brief van de Raad van 11 november 2025, waarbij is meegedeeld dat geen verzet is ingediend, heeft zij alsnog verzet gedaan.
De Raad ziet, in wat appellante heeft aangevoerd, geen bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dat zij de uitspraak van 10 september 2025 kwijt is geraakt, komt voor rekening en risico van appellante.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Aan een bespreking van de overige gronden komt de Raad daarom niet toe.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
(getekend) K.H. Sanders
de griffier is verhinderd te ondertekenen.