Socialezekerheidsrecht
Verzet niet-ontvankelijk. Verzetschrift te laat ingediend. De Raad ziet geen aanleiding om de…
Centrale Raad van Beroep, 11 juni 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:774 · Centrale Raad van Beroep · 11 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2026-774
Zaakgegevens
Op 11 juni 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 25/923 PW-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:774
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet niet-ontvankelijk. Verzetschrift te laat ingediend. De Raad ziet geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat appellant geen juridische bijstand heeft gehad van een professionele gemachtigde, is daarvoor niet voldoende.
Uitspraak
25/923 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2025, LEE 24/3952 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche Aa (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 11 juni 2026
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 30 april 2026. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich online laten vertegenwoordigen door J.W. Heidergott.
OVERWEGINGEN
Appellant heeft op 13 januari 2026 bij de Raad tegen de uitspraak verzet van 14 oktober 2025 gedaan. Op grond van artikel 8:55, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de artikelen 6:7, 6:8 en 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing bij verzet. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het doen van verzet zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. De laatste dag waarop tijdig verzet kon worden gedaan, was 4 december 2025. Het verzet is dus te laat.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na de verzetstermijn ingediend verzetschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant gesteld dat hij te laat is met zijn verzetschrift omdat hij geen juridische bijstand heeft gehad van een juridisch adviseur of een advocaat.
De Raad ziet geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat appellant geen juridische bijstand heeft gehad van een professionele gemachtigde, is daarvoor niet voldoende. Appellant had juridische hulp kunnen zoeken bij het Juridisch Loket of een ander juridisch adviesbureau. Verder was appellant wel in staat om het verzet te formuleren. Daarbij heeft hij - los van zijn stelling over de juridische bijstand - niet duidelijk gemaakt waarom dat niet tijdig kon.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Rottier in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D.M.A. van de Geijn