Socialezekerheidsrecht
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang.
Centrale Raad van Beroep, 6 juli 2006
ECLI:NL:CRVB:2006:AY4328 · Centrale Raad van Beroep · 6 juli 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-crvb-2006-ay4328
Zaakgegevens
Op 6 juli 2006 heeft de Centrale Raad van Beroep in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 juli 2006
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 06-3194 AKW-VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2006:AY4328
Samenvatting
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang.
Uitspraak
06/3194 AKW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2006, 05/2423 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 6 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2006.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De Svb heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij over het eerste kwartaal van 2004 en over het derde kwartaal van 2004 geen recht meer heeft op kinderbijslag omdat hij geen ingezetene is.
Verzoeker heeft met betrekking tot het spoedeisend belang met name aangevoerd dat hij de kinderbijslagbedragen voor het levensonderhoud van zijn kinderen nodig heeft.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Ter zitting van de Raad heeft verzoeker desgevraagd opening van zaken gegeven met betrekking tot zijn vaste maandelijkse inkomsten alsmede de daartegenover staande vaste lasten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het verhandelde ter zitting, in samenhang bezien met de in geding gebrachte stukken, onvoldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de mogelijkheid om hangende hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld is om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
Uit het voorgaande volgt dat de gevraagde voorziening niet voor toewijzing in aanmerking komt.
De voorzieningenrechter ziet tenslotte geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
GG180706