Socialezekerheidsrecht

Het UWV heeft de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Ziektewet afgewezen. Verzoeker heeft…

Rechtbank Oost-Brabant, 19 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 19 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
26/2489
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7403
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het UWV heeft de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Ziektewet afgewezen. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van een spoedeisend belang niet is gebleken en wijst het verzoek af. Verzoeker heeft de feiten waarop het gestelde spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening is gebaseerd niet aannemelijk gemaakt

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/2489


uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 oktober 2026 in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de Raad van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (UWV)

(gemachtigde: S. Gootjes).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Met het besluit van 15 juni 2026 heeft het UWV geweigerd aan verzoeker een ZW-uitkering toe te kennen met ingang van 1 juni 2026.

3. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

4. Het UWV heeft in reactie op het verzoek een verweerschrift ingediend.

5. De rechtbank heeft verzoeker gevraagd om gemotiveerd, onder overlegging van bewijsstukken, aan te geven wat het spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening.

6. Verzoeker heeft hierop gereageerd op respectievelijk 16, 18, 22, 24 en 29 september 2026 en 1 oktober 2026.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Het beoordelingskader

8. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als in redelijkheid van verzoeker niet verwacht kan worden dat hij de uitspraak van de rechtbank afwacht. Dit zal in het algemeen zijn als er voor verzoeker een spoedeisend belang bestaat.

9. In deze zaak betreft het een financieel belang, omdat het gaat om het toekennen van een ZW-uitkering. Bij een financieel belang is over het algemeen pas sprake van spoedeisendheid, als verzoeker met bewijsstukken aannemelijk maakt dat hij in een situatie dreigt te komen van acute financiële nood of een andere onomkeerbare situatie, zoals een faillissement of huisuitzetting.

10. Als de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit waar verzoeker het niet mee eens is, evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat, zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten of het recht, zeer ernstig moet worden getwijfeld aan het standpunt van het UWV en of het besluit van het UWV in de bodemprocedure in stand zal blijven.

De beoordeling van dit concrete geval

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarde uit artikel 8:81 van de Awb dat sprake is van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen hoe tot dit oordeel is gekomen.

12. Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft. Omdat het UWV hem geen ZW-uitkering heeft toegekend heeft hij geen inkomsten en kan hij zijn maandelijkse lasten niet betalen. Ook heeft hij geen spaargeld waarmee hij zijn vaste lasten en zijn kosten van levensonderhoud kan betalen.

13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat sprake is van een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening. Bij de door verzoeker ingestuurde stukken zit een besluit van de gemeente Oss van 4 augustus 2026 waarmee met ingang van 1 juni 2026 een bijstandsuitkering aan verzoeker is toegekend. Ook krijgt verzoeker, zo blijkt uit de door hem ingestuurde voorschotbeschikking van de Dienst Toeslagen van 26 juni 2026, in 2026 zorgtoeslag en huurtoeslag. Gelet daarop kan verzoeker niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij sinds juni 2026 niet over inkomen beschikt. Op het verzoek van de voorzieningenrechter om het spoedeisende belang te onderbouwen heeft verzoeker een begroting tandartskosten van € 731,39 en een rekening tandartskosten van € 45,33 ingestuurd. Uit de overgelegde gegevens blijkt niet dat sprake is van betalingsachterstanden op basis waarvan acute dreiging bestaat van bijvoorbeeld huisuitzetting. De stelling van verzoeker dat hij zijn vaste lasten niet meer kan betalen en dat een noodsituatie dreigt, volgt de voorzieningenrechter daarom niet. Verzoeker heeft ook geen andere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij in financiële nood verkeert en dat een onomkeerbare situatie dreigt. Verder heeft het UWV in het verweerschrift opgemerkt dat verzoeker indien nodig de werkgever of HCS (de instantie die de werkgever voor de uitkering van de Ziektewet heeft ingeschakeld) kan verzoeken om een voorschot op de Ziektewetuitkering. In zijn e-mail van 1 oktober 2026 heeft verzoeker gesteld dat inmiddels zijn “toeslagen en financiële middelen volledig zijn geblokkeerd”. Een onderbouwing daarvan ontbreekt echter. Daarbij valt te denken aan een brief van de betreffende instantie waarmee verzoeker erover is geïnformeerd dat de aan hem toegekende bijstandsuitkering en toeslagen zijn gestopt. Het had van verzoeker mogen worden verwacht om hiervan een bewijsstuk over te leggen. De rechtbank heeft verzoeker er namelijk eerder al op gewezen dat hij het spoedeisend belang met bewijsstukken moet onderbouwen en heeft verzoeker daar ook de gelegenheid voor gegeven. Dat verzoeker dat niet heeft gedaan, is dan ook een omstandigheid waarvan verzoeker het risico draagt. Uit de door verzoeker overgelegde bewijsstukken blijkt dus nog steeds niet dat hij in een situatie dreigt te komen van acute financiële nood of een andere onomkeerbare situatie.

Is sprake van een evident onrechtmatig besluit?

14. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het UWV evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door UWV ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door UWV ingenomen standpunt. Van een evident onrechtmatig besluit is geen sprake.

15. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang voor verzoeker en dat het besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.

Volgens het UWV moet verzoeker zo snel mogelijk contact opnemen met de werkgever of HCS

16. Ter informatie van verzoeker merkt de voorzieningenrechter nog op dat het UWV verzoeker in het verweerschrift heeft geadviseerd om zo snel mogelijk contact op te nemen met de werkgever of HCS, zodat kan worden beoordeeld wat zijn medische situatie is en of hij recht heeft op een Ziektewetuitkering.

Wat kan verzoeker doen als een voor de beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening belangrijke verandering in zijn situatie optreedt

17. Ook ter informatie merkt de voorzieningenrechter nog op dat verzoeker een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening kan indienen bij de rechtbank als zich een wijziging in zijn situatie voordoet die voor de beoordeling van belang zou kunnen zijn. Ook dan is het zo dat verzoeker zijn stellingen met bewijsstukken moet onderbouwen.

Conclusie en gevolgen

18. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.