Socialezekerheidsrecht

Jeugdwet. Vovo. Bevoegdheid college als na de aanvraag sprake is van kinderbeschermingsmaatregelen. Artikelen…

Rechtbank Noord-Nederland, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
LEE 26/3106
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4265
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdwet. Vovo. Bevoegdheid college als na de aanvraag sprake is van kinderbeschermingsmaatregelen. Artikelen 2.4 en 3.5 van de Jeugdwet.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/3106


uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om de door verzoeker voor zijn dochter aangevraagde jeugdhulp af te wijzen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college vanwege de kinderbeschermingsmaatregelen niet langer kan bepalen welke jeugdhulp verzoekers dochter nodig heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 juni 2026 heeft het college verzoekers aanvragen om jeugdhulp afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1.

Verzoeker is de vader van [naam kind], geboren in [jaar].

3.2.

Op 3 november 2025 en 20 maart 2026 heeft verzoeker het college verzocht om specialistische jeugdhulp van Accare toe te kennen.

3.3.

Bij beschikking van 21 mei 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank [naam kind] met ingang van 21 mei 2026 voor de duur van drie maanden voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI) de Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de Stichting). Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter met ingang van 21 mei 2026 voor de duur van vier weken een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een 24-uursvoorziening verleend. De beslissing tot uithuisplaatsing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.4.

Aansluitend heeft de kinderrechter [naam kind] onder toezicht gesteld en de machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 21 augustus 2027. Zij is geplaatst bij [naam organisatie].

3.5.

Het college heeft verzoekers aanvragen met het bestreden besluit afgewezen, omdat [naam kind] inmiddels met een directe verwijzing van de huisarts de gewenste ondersteuning gaat krijgen. Er is geen reden meer voor jeugdhulp vanuit het vrijwillig kader, aldus het college.

Wat zijn de belangen van verzoeker?

4. Verzoeker vraagt om een beoordeling van de huidige situatie waarin voor [naam kind] nog geen specialistische behandeling is aangevangen. Hij vraagt de voorzieningenrechter om het college ertoe te bewegen alle relevante stukken en correspondentie vanaf 21 mei 2026 met de GI die daarop betrekking hebben te overleggen. Daarnaast vraagt hij te bepalen dat de specialistische hulp zo spoedig mogelijk aanvangt, althans dat overbruggingshulp gestart wordt als de specialistische hulp niet op korte termijn kan starten, zo nodig onder het opleggen van een dwangsom.

Toetsingskader

5. In artikel 2.4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Jeugdwet (Jw) is, voor zover van belang, bepaald dat het college ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente verantwoordelijk is voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen, hetgeen in ieder geval inhoudt dat het college de jeugdhulp inzet die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel.

5.1.

Op grond van artikel 3.5, eerste lid, van de Jw bepaalt de gecertificeerde instelling of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. De gecertificeerde instelling overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.

5.2. ‘

‘De toeleiding naar de jeugdhulp kan ingevolge dit wetsvoorstel op verschillende manieren plaatsvinden. In de eerste plaats kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. Daarnaast kunnen ook de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts verwijzen naar de jeugdhulp. In het gedwongen kader kan de toeleiding verder plaatsvinden via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. (…)’

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

6. [naam kind] is onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst. Deze maatregelen zijn kinderbeschermingsmaatregelen die uitsluitend worden uitgevoerd door een GI. In het geval van [naam kind] is die GI de Stichting. De Stichting bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen. De Stichting moet daarover weliswaar overleg voeren met het college, maar bepaalt welke hulp nodig is. Het overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp de gemeente heeft gecontracteerd. Het college is verplicht deze jeugdhulp te leveren. Tegen zo’n beslissing van de Stichting staat geen bezwaar of beroep open.

6.1.

Met ingang van de voorlopige ondertoezichtstelling van [naam kind] is de Stichting bevoegd om te bepalen of en, zo ja, welke jeugdhulp [naam kind] nodig heeft. Hieruit volgt dat het college nu niet bevoegd is om te beslissen over de voor [naam kind] aangewezen jeugdhulp. Zolang deze situatie duurt, kan het college niet tegemoetkomen aan het bezwaar van verzoeker zoals hij wenst. Dat brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter ook niet een dergelijke voorlopige voorziening kan treffen. De Stichting beslist. Tegen een beslissing kan een procedure gestart worden bij de civiele (kinder)rechter.

6.2.

Wat verzoeker voor het overige heeft aangevoerd valt buiten de omvang van het geding. Het bestreden besluit begrenst in de eerste plaats die omvang. De overige gronden van verzoeker bespreekt de voorzieningenrechter daarom niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Kamerstukken I 2013/14, 33 684, nr. D, p. 25. Artikel 3.2, eerste lid, van de Jw. Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 114. Artikel 3.5, eerste lid, van de Jw. Zie Kamerstukken I 2013/14, 33 684, nr. D, p. 61-62. Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 144, 160. Kamerstukken I 2013/14, 33 684, nr. F, p. 44-45. Artikel 2.4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Jw. Zie o.a. Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 41, Kamerstukken I 2013/14, 33 684, nr. D, p. 55, 90. Artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:5, eerste lid, en artikel 1 van Bijlage 2. Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1939.