Socialezekerheidsrecht
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen. Participatiewet (Pw). Artikel 31 van de Pw. Gelden van derde…
Rechtbank Rotterdam, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:13911 · Rechtbank Rotterdam · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-13911
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/7376
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:13911
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen. Participatiewet (Pw). Artikel 31 van de Pw. Gelden van derde ontvangen voor betalen kosten leaseauto zijn giften. In artikel 31, tweede lid, van de |Pw wordt naast de maximale vrijstelling voor giften geen uitzondering gemaakt voor middelen die bedoeld zijn voor een auto en evenmin voor een auto die om medische redenen noodzakelijk is. Nog daargelaten dat op grond van de overgelegde medische verklaringen van verzoeker niet zonder meer kan worden afgeleid dat voor het bezoek aan artsen en andere medische afspraken het bezit van een eigen (lease)auto noodzakelijk is, heeft het college dan ook in het bestreden besluit terecht bij de berekening van de Pw-uitkering rekening gehouden met de giften die verzoeker van derden heeft ontvangen. Artikel 18, eerste lid, van de Pw. Ter onderbouwing van de vereiste zeer bijzondere omstandigheden heeft verzoeker gewezen op zijn medische situatie. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de kosten voor een auto vervoerskosten betreffen, die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en die in beginsel uit de uitkering voor levensonderhoud op grond van de Pw moeten worden voldaan. Uit de overgelegde medische verklaringen kan niet zonder meer worden afgeleid dat verzoeker voor bezoek aan artsen en andere medische afspraken uitsluitend is aangewezen op een (lease)auto en deze auto noodzakelijk is. Er is dan ook niet gebleken dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/7376
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. K.M. van der Boor),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee (het college)
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Met het besluit van 23 april 2026 heeft het college de maandelijkse betaling van de door verzoeker verschuldigde leasebedragen door een derde aangemerkt als een middel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) en besloten vanaf 1 mei 2026 een bedrag van € 385,05 en vanaf 1 juni 2026 € 396,27 per maand te verrekenen met verzoekers bijstandsuitkering.
2. Met het besluit van 31 augustus 2026, verzonden op 14 september 2026, heeft het college – voor zover hier van belang - besloten een door verzoeker van derde(n) over de maand augustus 2026 ontvangen bedrag van € 400,- aan giften te verrekenen met zijn bijstandsuitkering. Ook is verzoekers aanvraag om afstemming van de hoogte van de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw afgewezen.
3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en een voorlopige voorziening gevraagd.
4. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
5. Verzoeker heeft op 30 september 2026 nog aanvullende gronden en een reactie op het verweerschrift ingediend.
6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde. Het college heeft zich met bericht van verhindering niet laten vertegenwoordigen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
7. Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Pw in aanvulling op zijn uitkering van circa € 225,- wegens ziekte van Acture. Verzoeker heeft een leaseauto, waarvan de kosten € 396,27 per maand bedragen. Deze kosten worden door derden gedragen. Aanvankelijk werden de kosten direct aan de leasemaatschappij betaald door een derde.
Bij het besluit van 23 april 2026 heeft het college besloten de maandelijkse betaling van de door verzoeker verschuldigde leasebedragen door een derde tot € 1.200,- per jaar te beschouwen als een gift en betalingen boven dit bedrag in aanmerking te nemen als ‘middel’ op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw. Als gevolg daarvan is verzoekers uitkering door verrekening per 1 mei 2026 verlaagd.
Vanaf 1 mei 2026 heeft verzoeker dit bedrag voor de leaseauto van derden contant ontvangen, heeft hij bedrag op zijn bankrekening gestort en heeft hij zelf de leasemaatschappij betaald.
Bij besluit van 1 juni 2026 heeft het college besloten de verlaging van de uitkering per 1 mei 2026 in te trekken, omdat verzoeker de betalingen aan de leasemaatschappij zelf verricht.
Op 18 augustus 2026 heeft verzoeker het college gemeld dat hij in augustus 2026 € 400,- aan giften heeft ontvangen.
Bij besluit van 31 augustus 2026 heeft het college het bedrag van € 400,- eenmalig als gift met de Pw-uitkering van verzoeker verrekend. Verder heeft college de aanvraag van verzoeker om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw zijn uitkering te verhogen met het bedrag dat hij iedere maand moet betalen voor zijn leaseauto afgewezen.
Standpunt verzoeker
8. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij is van mening dat gelet op zijn ernstige medische situatie – hij heeft COPD gold 4E – zijn leaseauto noodzakelijk is voor ziekenhuisbezoek en andere medische afspraken. Hij heeft ter onderbouwing hiervan medische verklaringen overgelegd. Ook heeft hij ter zitting gesteld de auto nodig te hebben voor het doen van boodschappen. In verband hiermee stelt hij dat het college de giften die hij van derden ontvangt voor het betalen van de leaseauto niet als middelen moet aanmerken. Indien dit niet zou kunnen, is hij van mening dat het college zijn Pw-uitkering op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw moet verhogen met het bedrag dat hij per maand moet betalen voor zijn leaseauto.
Waar gaat het in deze zaak om?
9. De voorzieningenrechter begrijpt dat het verzoekschrift zowel betrekking heeft op het besluit van 23 april 2026 als op het besluit van 31 augustus 2026. Het geschil ziet niet op de inkomsten van Acture, die in mindering worden gebracht. Het besluit van 23 april 2026 is in zoverre ingetrokken, nu bij besluit van 1 juni 2026 de verrekening per 1 mei 2026 ongedaan is gemaakt. Zoals ter zitting besproken gaat het in deze procedure uitsluitend om het besluit van 31 augustus 2026 (bestreden besluit).
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
10. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
11. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Verzoeker voert aan dat hij, indien hij de kosten van de leaseauto van € 396,27 zelf moet betalen hij onvoldoende inkomsten heeft om zijn vaste lasten en andere kosten te voldoen. De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden een voldoende spoedeisend belang om het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen.
Middelen
12. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) worden (kas)stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als sprake is van betalingen die een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw. Periodieke betalingen van derden aan bijstandontvangers worden - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt - en waarover vrijelijk kan worden beschikt als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt.
Zoals uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt, betaalt verzoeker de kosten van de leaseauto van € 396,27 per maand met gelden die hij ontvangt van derden. In augustus 2026 heeft hij € 400,- van derden ontvangen. Hij kan vrijelijk beschikken over deze middelen en aanwenden voor zijn kosten van levensonderhoud. Het college heeft deze middelen aangemerkt als giften. Nu het college, gelet op zijn giftenbeleid, in 2026 al rekening heeft gehouden met de maximale vrijstelling van € 1.200,- aan giften, dient het bedrag van € 400,- te worden aangemerkt als een middel. In artikel 31, tweede lid, van de Pw wordt naast een maximaal bedrag aan giften geen uitzondering gemaakt voor middelen die bedoeld zijn voor een auto en evenmin voor een auto die om medische redenen noodzakelijk is. Nog daargelaten dat op grond van de overgelegde medische verklaringen van verzoeker niet zonder meer kan worden afgeleid dat voor het bezoek aan artsen en andere medische afspraken het bezit van een eigen (lease)auto noodzakelijk is, heeft het college dan ook in het bestreden besluit terecht bij de berekening van de Pw-uitkering rekening gehouden met de giften die verzoeker van derden heeft ontvangen.
Afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw.
13. Verzoeker stelt dat het college op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw zijn bijstandsuitkering moet afstemmen vanwege de kosten van zijn leaseauto.
Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand is slechts plaats in zeer bijzondere situaties.
Ter onderbouwing van de vereiste zeer bijzondere omstandigheden heeft verzoeker gewezen op zijn medische situatie. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de kosten voor een auto vervoerskosten betreffen, die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en die in beginsel uit de uitkering voor levensonderhoud op grond van de Pw moeten worden voldaan. Zoals hiervoor onder 12.2 is overwogen kan uit de overgelegde medische verklaringen niet zonder meer worden afgeleid dat verzoeker voor bezoek aan artsen en andere medische afspraken uitsluitend is aangewezen op een (lease)auto en deze auto noodzakelijk is. Er is dan ook niet gebleken dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Het college heeft het verzoek om de bijstandsuitkering met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw te verhogen kunnen afwijzen.
Verder wijst de voorzieningenrechter erop dat, zoals ook uit het verweerschrift blijkt, het college onderzoek laat doen in hoeverre verzoeker in aanmerking kan komen voor (de kosten van) vervoer naar deze medische afspraken. In dat kader zou het college ook medisch advies over de gezondheidssituatie van verzoeker kunnen inwinnen.
Verzoeker heeft ook een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu hem als gevolg van het besluit van 31augustus 2026 levensreddende zorg zou worden onthouden. Uit de medische stukken is niet gebleken dat verzoeker levensreddende zorg ontvangt, zodat reeds hierom het beroep op artikel 8 van het EVRM niet kan slagen.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: