Socialezekerheidsrecht
Verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad heeft het ingestelde hoger beroep…
Centrale Raad van Beroep, 13 december 2011
ECLI:NL:CRVB:2011:BU8173 · Centrale Raad van Beroep · 13 december 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-crvb-2011-bu8173
Zaakgegevens
Op 13 december 2011 heeft de Centrale Raad van Beroep in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 13 december 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11-6221 WWB-VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2011:BU8173
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad heeft het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Gegeven deze uitspraak in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat niet langer is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb besloten liggende voorwaarde dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen.
Uitspraak
11/6221 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in geding tussen:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Walcheren
Datum uitspraak: 13 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft bij brief van 11 september 2011 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 augustus 2011, 11/378.
Bij brief van 9 oktober 2011 is door de A. de Bijl, de gemachtigde van verzoekster, verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Bij uitspraak van 13 december 2011, 11/5306 WWB, heeft de Raad het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Gegeven deze uitspraak in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat niet langer is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb besloten liggende voorwaarde dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen.
Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter van de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) E. Blijleven-de Vries.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.
HD