Socialezekerheidsrecht

Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk niet-ontvankelijk. Gegeven de uitspraak in de…

Centrale Raad van Beroep, 16 december 2014

Zaakgegevens

Op 16 december 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16 december 2014
Datum publicatie
16 december 2014
Zaaknummer
14-4147 WWB VV
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2014:4236
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk niet-ontvankelijk. Gegeven de uitspraak in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat niet langer is voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd, hoger beroep is ingesteld.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 december 2014

14/4147 WWB VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening:

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 15 juli 2014 hoger beroep in gesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2014, 14/2828 en 14/3114 (aangevallen uitspraak).

Verzoeker heeft daarbij tevens een verzoek om voorlopig voorziening gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Bij uitspraak van 11 november 2014, 14/4146 WWB, heeft de Raad het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

3. Gegeven deze uitspraak in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat niet langer is voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd, hoger beroep is ingesteld. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen.

4. Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk is. Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb wordt uitspraak gedaan zonder zitting.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van E.R. Flore als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) E.R. Flore

MK