Socialezekerheidsrecht
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend…
Centrale Raad van Beroep, 8 juni 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:1428 · Centrale Raad van Beroep · 8 juni 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-crvb-2021-1428
Zaakgegevens
Op 8 juni 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juni 2021
- Datum publicatie
- 15 juni 2021
- Zaaknummer
- 21/1310 WIA-VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:1428
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Wat verzoekster naar voren heeft gebracht, geeft daarvan geen blijk. Verzoekster heeft haar stelling dat zij thans ernstige problemen ondervindt, zoals overlast en bedreigingen, niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat sprake zou zijn van een verband tussen de gestelde problemen en deze procedure. Een spoedeisend financieel belang is, zoals verzoekster ter zitting heeft opgemerkt, niet aan de orde. Ook anderszins is niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Hieruit volgt dat bij dit verzoek een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ontbreekt. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitspraak
21 1310 WIA-VV
Datum uitspraak: 8 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 10 maart 2021, 20/1699 (aangevallen uitspraak).
Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2021. Verzoekster is verschenen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
Het Uwv heeft verzoekster met ingang van 5 december 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uwv heeft deze uitkering bij besluit van 24 december 2012 per 1 januari 2013 beëindigd. De Raad heeft bij uitspraak van 4 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:956, deze beëindiging in stand gelaten.
Verzoekster heeft op 18 juni 2019 het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, omdat haar medische klachten zijn toegenomen.
Bij besluit van 18 februari 2020 heeft het Uwv de aanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 1 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 18 februari 2020 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en verzocht om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft aangevoerd dat het Uwv haar situatie nooit correct heeft beoordeeld en dat het Uwv haar dossier moet corrigeren. Zij, zo heeft zij ter zitting gesteld, wenst met spoed overleg met een stafverzekeringsarts en een stafprocesbegeleider. Het gaat haar niet om een uitkering van het Uwv.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Vooropgesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764 en van 21 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4228) de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet is bedoeld om door middel van zogenoemde kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Wat verzoekster naar voren heeft gebracht, geeft daarvan geen blijk. Verzoekster heeft haar stelling dat zij thans ernstige problemen ondervindt, zoals overlast en bedreigingen, niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat sprake zou zijn van een verband tussen de gestelde problemen en deze procedure. Een spoedeisend financieel belang is, zoals verzoekster ter zitting heeft opgemerkt, niet aan de orde.
Ook anderszins is niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.
5. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat bij dit verzoek een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ontbreekt. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2021.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) B.V.K. de Louw