Bestuursrecht overig

TVL Q4 2021. Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Verzet ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20 januari 2025

Zaakgegevens

Op 20 januari 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
20 januari 2025
Datum publicatie
31 januari 2025
Zaaknummer
23/1450
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:CBB:2025:58
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

TVL Q4 2021. Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Verzet ongegrond.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1450

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2025


Rechter: mr. R.W.L Koopmans

Griffier: mr. C.D.V. Efstratiades

Partijen

[naam 1] B.V., te [plaats] , (onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3]

en

de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en mr. J.W.P. van Oosten

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Overwegingen

  1. De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 18 juni 2024. Met deze uitspraak heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 3 mei 2023 ongegrond verklaard. Met het besluit van 3 mei 2023 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen het besluit van 7 december 2022 (vaststellingsbesluit) waarmee de minister de subsidie van de onderneming voor het vierde kwartaal van 2021 op € 0,- heeft vastgesteld en het betaalde voorschot van € 82.332,48 heeft teruggevorderd, niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister met het besluit van 3 mei 2023 het bezwaar tegen het vaststellingsbesluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de onderneming zonder goede reden buiten de termijn bezwaar heeft gemaakt. De door de onderneming genoemde omstandigheden maken de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

  2. Op de verzetzitting van 20 januari 2025 heeft de onderneming naar voren gebracht dat het om een klein hotel gaat, dat zij in de coronaperiode veel werknemers moest laten gaan en dat de hotelmanager daardoor zelf achter de receptie stond. De hotelmanager heeft het indienen van de subsidieaanvragen op zich genomen, maar zag op een gegeven moment door de bomen het bos niet meer.

  3. Het College begrijpt dat het een zware tijd is geweest voor de onderneming, maar stelt vast dat de onderneming in verzet geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 18 juni 2024 niet juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.D.V. Efstratiades