Bestuursrecht overig

Art. 8:84/8:75a Awb: In deze uitspraak veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot vergoeding van de…

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 31 oktober 2023

Zaakgegevens

Op 31 oktober 2023 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
31 oktober 2023
Datum publicatie
30 oktober 2023
Zaaknummer
23/1371
Procedure
Proceskostenveroordeling
ECLI
ECLI:NL:CBB:2023:614
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 8:84/8:75a Awb: In deze uitspraak veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot vergoeding van de proceskosten omdat het college aan Ekiz is tegemoetgekomen.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1371

uitspraak zonder zitting van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2023 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] ,

gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda

Samenvatting

In deze uitspraak veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot vergoeding van de proceskosten omdat het college aan [naam] is tegemoetgekomen.

Beoordeling

1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat hij over voldoende informatie beschikt om het college te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.

3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.

4 De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam] het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (het verzoek) met de brief van 17 juli 2023 heeft ingetrokken en daarbij verzocht heeft het college in de proceskosten te veroordelen. Reden hiervoor is dat het college met het gegrond verklaren van het bezwaar en het daarmee intrekken van het besluit van 21 februari 2023 tot intrekking van de KTB-vergunning aan [naam] is tegemoetgekomen. Hierdoor heeft [naam] geen belang meer bij het verzoek.

5 Volgens het college moet het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen omdat niet is tegemoet gekomen aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van de indiener. Bovendien is dit verzoek niet de reden voor intrekking van het besluit tot intrekking van de KTB-vergunning.

6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college met de intrekking van de KTBvergunning aan het verzoek van [naam] is tegemoetgekomen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, dat de gemachtigde namens [naam] heeft ingediend, strekte er immers toe dat het besluit tot intrekking van de KTBvergunning van [naam] werd geschorst.

7 Nu het college [naam] pas ten tijde van de bezwaarprocedure en het daarmee samenhangende verzoek is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het college tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden vastgesteld op € 837,- (1 punt ter waarde van € 837,- voor het indienen van het verzoekschrift met een wegingsfactor 1,0).

8 De voorzieningenrechter draagt het college op grond van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • veroordeelt het college in de proceskosten van [naam] tot een bedrag van € 837,-.

  • draagt het college op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2023.

w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel

Afschrift verzonden aan partijen op: