Vreemdelingenrecht
Betreft afwijzing van verzoek om tijdelijke verblijfsvergunning voor een minderjarige. Betoog van de…
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 25 januari 2011
ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0591 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 25 januari 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2011-bq0591
Zaakgegevens
Op 25 januari 2011 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Datum uitspraak
- 25 januari 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- HLAR 017/10
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0591
Samenvatting
Betreft afwijzing van verzoek om tijdelijke verblijfsvergunning voor een minderjarige. Betoog van de vreemdeling dat het Gerecht de beroepsgrond dat zij aan het IVRK aanspraak ontleent op verblijf bij de referent onvoldoende heeft onderzocht faalt. Vreemdeling heeft geen feiten of omstandigheden gesteld en het Gerecht mocht het betoog daarom passeren als onvoldoende toegelicht. Hof bevestigt de uitspraak.
Uitspraak
HLAR 017/10
Datum uitspraak: 25 januari 2011
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [het kind], beiden wonend in Curaçao,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 4 mei 2010 in zaak nr. 2009/64 in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij beschikking van 11 juli 2008 heeft de gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de gezaghebber) namens de minister van Justitie (hierna: de minister) een verzoek van [appellante] (hierna: de referent) om [het kind] (hierna: de vreemdeling) een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.
Bij beschikking van 18 februari 2009 heeft de gezaghebber namens de minister het door de vreemdeling daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 mei 2010 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (hierna: het Gerecht) het door de vreemdeling daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij het Hof ingekomen op 14 juni 2010, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2010, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. drs. B.W. Scheperboer, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.E.A. Doorstam, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De vreemdeling betoogt dat het Gerecht de beroepsgrond dat zij aan het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) aanspraak ontleent op verblijf bij de referent, adequaat onderwijs en genoegzame sociale zekerheid en geneeskundige verzorging, onvoldoende heeft onderzocht. In dat verband verwijst zij naar de artikelen 5, 7, 9, 10, 24, 26 en 27 van dat verdrag.
2.1.1. Nu de vreemdeling in beroep heeft volstaan met het enkele inroepen van het IVRK en zij ten betoge daarvan geen feiten of omstandigheden heeft gesteld, mocht het Gerecht dat betoog passeren als onvoldoende toegelicht. Het was niet gehouden om, zoals de vreemdeling betoogt, de raadsman van de vreemdeling er ter terechtzitting toe te brengen zodanige feiten of omstandigheden alsnog te stellen.
Het betoog faalt.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Isenia
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,