Vreemdelingenrecht

Hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Appellante verblijft niet meer in Curaçao.

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 10 november 2021

Zaakgegevens

Op 10 november 2021 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Datum uitspraak
10 november 2021
Datum publicatie
17 november 2021
Zaaknummer
CUR2021H00114
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:OGHACMB:2021:394
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Appellante verblijft niet meer in Curaçao.

Uitspraak

CUR2021H00114

Datum uitspraak: 10 november 2021

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonende in Curaçao,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 5 maart 2021 in zaak nr. CUR201903718, in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Justitie (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 23 oktober 2018 heeft de minister een verzoek van [appellante] om aan haar een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als doel arbeid in loondienst als inwonend dienstbode, afgewezen.

Bij beschikking van 3 juli 2019 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2021 heeft het Gerecht het door [appellante] tegen de bestreden beschikking ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2021. [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.J. Henriquez, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L.M. Pietersz en A. Zimmerman, beiden werkzaam bij de Toelatingsorganisatie, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. [appellante] is in het bezit van de Chinese nationaliteit en had tot en met 6 juli 2018 rechtmatig verblijf in Curaçao. Op 21 juni 2018 heeft zij de minister verzocht haar vergunning tot tijdelijk verblijf opnieuw te verlengen met als verblijfsdoel arbeid in loondienst als inwonend dienstbode. Dit verzoek is door de minister afgewezen omdat [appellante] geen originele verklaring van de belastingdienst heeft overgelegd waaruit blijkt dat haar werkgever in 2016 een belastbaar inkomen had van tenminste NAf 36.000,-.

  2. Het Hof overweegt ambtshalve het volgende. Ter zitting heeft de gemachtigde van [appellante] desgevraagd verklaard dat [appellante] sinds 2019 in China verblijft en sindsdien niet meer is teruggekeerd naar Curaçao, mede wegens de coronapandemie. Het Hof is niet gebleken van een nog rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. De gestelde omstandigheid dat dat belang is gelegen in het voorkomen van een verblijfsgat kan niet leiden tot een ander oordeel. Een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt, zoals ook door de minister ter zitting is verklaard, verleend voor de duur van een jaar. Een gegrond hoger beroep en een inwilliging van de aanvraag zou er slechts toe kunnen leiden dat [appellante] tot en met 6 juli 2019 rechtmatig verblijf verkrijgt. Nu van het indienen van een nadere aanvraag om haar daarna nog verder verblijf toe te staan niet is gebleken, betekent dat ongeacht de uitkomst van deze procedure in hoger beroep een verblijfsgat is ontstaan. Onder deze omstandigheden kan [appellante] door de uitkomst van het hoger beroep niet in een gunstiger positie geraken.

  3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

  4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.

w.g. Bel w.g. Van der Heide

voorzitter

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2021.