Vreemdelingenrecht

Arubaanse zaak. Betreft afwijzing verzoek om verblijfsvergunning. Hof acht beroep gegrond maar verwijst zaak…

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, 18 december 2009

Zaakgegevens

Op 18 december 2009 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Datum uitspraak
18 december 2009
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
HLAR 049/09
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:OGHNAA:2009:BN6681
E-mail

Samenvatting

Arubaanse zaak. Betreft afwijzing verzoek om verblijfsvergunning. Hof acht beroep gegrond maar verwijst zaak niet terug. Hof oordeelt dat aannemelijk is gemaakt dat het bewaarschrift in handen is gesteld van bezwaaradviescommissie en acht het beroep ongegrond.

Uitspraak

HLAR 049/09

Datum uitspraak: 18 december 2009

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[…],

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 11 maart 2009 in zaak nr. 2443 van 2008 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Vreemdelingenzaken.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 31 oktober 2007 heeft de minister van Vreemdelingenzaken (hierna: de minister) een verzoek van appellant (hierna: de vreemdeling) om hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.

Bij beschikking van 9 juni 2008 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2009 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door de vreemdeling en de naamloze vennootschap B.M. International Wholesale & Retail N.V. (hierna: de werkgeefster) ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij faxbericht, bij het Hof ingekomen op 22 april 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.N. Maduro, werkzaam in dienst van het land, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling betoogt dat het Gerecht, door het door hem ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, heeft miskend dat hij daarbij belang heeft.

2.1.1. De vreemdeling kon tegen de beschikking van 9 juni 2008 beroep instellen bij het Gerecht. Dat de vreemdeling, zoals het Gerecht heeft overwogen, drie jaren krachtens een vergunning tot tijdelijk verblijf hier te lande heeft verbleven, brengt niet met zich dat deze geen belang had bij het door hem ingestelde beroep. Nu ook anderszins geen grond bestond om dat te doen, heeft het Gerecht het beroep ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. Het betoog slaagt.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het Hof zal de zaak evenwel niet naar het Gerecht terugverwijzen, nu het bij het Gerecht ingestelde beroep, waarbij is aangevoerd dat de minister samengevat - het bezwaarschrift ten onrechte niet in handen van de bezwaaradviescommissie heeft gesteld en heeft miskend dat voor de door de vreemdeling beoogde functie van manager geen lokale arbeidskrachten beschikbaar zijn, kennelijk ongegrond is. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.3. Doordat de minister zich in het bij het Gerecht ingediende verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat bij het geven van de beschikking van 9 juni 2008 gebruik is gemaakt van de in artikel 20, eerste lid van de Landsverordening administratieve rechtspraak neergelegde bevoegdheid om bij niet-tijdige advisering door de bezwaaradviescommissie een beslissing op het bezwaarschrift te nemen zonder het advies van die commissie, en dat niet is weersproken, is aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift in handen is gesteld van de bezwaaradviescommissie. Het betoog van de vreemdeling faalt in zoverre.

2.4. Ingevolge artikel 7, lid 3, van de Ltu draagt de minister zorg dat de periode waarin een persoon met een andere dan de Nederlandse nationaliteit, die in loondienst op grond van een vergunning tot tijdelijk verblijf werkzaam is, aaneengesloten tot Aruba toegelaten is, ten hoogste drie jaar bedraagt.

2.4.1. Niet in geschil is dat de minister bij beschikking van 28 mei 2004 aan de vreemdeling een vergunning tot tijdelijk verblijf heeft verleend en de vreemdeling tot 27 augustus 2007 krachtens zodanige vergunning hier te lande heeft verbleven voor het verrichten van arbeid in loondienst. Nu de vreemdeling ten tijde van het geven van de beschikking op bezwaar drie jaar voor dat doel in Aruba had verbleven en voormelde bepaling aan zijn verdere toelating voor dat doel in de weg staat, kan hetgeen in beroep is aangevoerd reeds daarom niet leiden tot het ermee beoogde doel. De beroepsgronden falen.

2.5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 11 maart 2009 in zaak nr. 2443 van 2008;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak tegen de beschikking van de minister van Vreemdelingenzaken van 9 juni 2008, kenmerk crv-5001070979, ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat het land Aruba aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 (zegge: vijfenzeventig gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. H.L. Wattel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Wattel

Voorzitter

w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,