Strafrecht overig

jeugddetentie opgelegd voor verkrachting van een 15-jarig meisje /voldoende steunbewijs.

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 11 juni 2026

Zaakgegevens

Op 11 juni 2026 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Datum uitspraak
11 juni 2026
Datum publicatie
12 juni 2026
Zaaknummer
P-2025/01096
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEAA:2026:146
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

jeugddetentie opgelegd voor verkrachting van een 15-jarig meisje /voldoende steunbewijs.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]Parketnummer: P-2025/01096

Zaaknummer: 267 van 2026

Uitspraak van: 11 juni 2026 op tegenspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], te [adres],

hierna: de verdachte.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2026.

Ter terechtzitting waren aanwezig de officier van justitie mr. C.M.J.M. van Buul, de verdachte en zijn raadsman, mr. J.J.C. Odor, advocaat in Aruba. Verder was aanwezig

[medewerker jeugdreclassering] van Stichting Reclassering en Jeugdbescherming Aruba.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 27 november 2024 in Aruba door geweld of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2009 heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal zijn vingers en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden, en welk geweld of die andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan, dat hij verdachte,

- de hand van die [slachtoffer] heeft vastgehouden en haar wilde meebrengen naar de jongens badkamer en/of

- die [slachtoffer] onder haar heup heef omhelsd en heeft opgetild en naar de jongens badkamer heeft gebracht, op die [slachtoffer] blijven inpraten, zodat die [slachtoffer] bewogen werd tot het ondergaan van seksuele handelingen en/of

- voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale protesten van die [slachtoffer] en/of

- zijn hand in de onderbroek van die [slachtoffer] heeft gestoken en haar

onderbroek opzij heeft geschoven en/of

- die [slachtoffer] heeft omgekeerd en de kleding en/of (onder)broek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/of

- de hand van die [slachtoffer] (tegen de muur) heeft vastgehouden en haar

(onder)broek helemaal naar beneden tot aan haar voeten heeft getrokken en/of

- die [slachtoffer] op haar rug op de vloer liet liggen, haar korte broek en slipje

heeft uitgetrokken en op haar is gaan liggen en/of

- zijn hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gezet/gehouden en/of

misbruik heeft gemaakt dan zijn fysieke overwicht.

Subsidiair

hij op of omstreeks op of omstreeks 27 november 2024 in Aruba, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2009 die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal zijn vingers en/of

zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden.

3 Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Beoordeling van het bewijs

Geen noodzaak nader forensisch onderzoek

In deze zaak is forensisch onderzoek gedaan aan kleding en een zedenbemonstering van de aangeefster. Samengevat komen de bevindingen erop neer dat sporen zijn gevonden, waaronder sperma, waarvan het DNA-profiel met zeer grote waarschijnlijkheid met verdachte matcht.

De verdediging heeft bij pleidooi aangevoerd dat verdachte elke vorm van dwang ontkent, en heeft aangedrongen op nader onderzoek aan veiliggesteld bewijsmateriaal om de onschuld aan te tonen. Er is echter niet toegelicht i) op welk nader onderzoek precies wordt gedoeld, ii) wat de toegevoegde waarde is ten opzichte van het forensische onderzoek dat heeft al plaatsgevonden, en iii) hoe dat in het licht van de overige bevindingen de onschuld van de verdachte zou moeten aantonen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen omdat de noodzaak tot nader onderzoek niet is gebleken.

Bewijs in zedenzaken

In zedenzaken waarin de verdachte ontkent is het bijeenbrengen van voldoende bewijs, gelet op de besloten aard van de strafbare gedraging, doorgaans problematisch. In deze zaak is dat niet anders: alleen aangeefster en verdachte waren aanwezig in de jongensbadkamer, afgezien van een kort moment dat iemand binnenkwam. Het slachtoffer verklaart dat zij daar gedwongen is tot seks met verdachte. Verdachte erkende uiteindelijk ter zitting dat er wel seks was geweest, maar ontkent dat er sprake was van dwang en geweld. Er zijn dus in wezen twee verklaringen die haaks op elkaar staan.

De betrouwbaarheid van de aangifte

De eerste vraag die het Gerecht moet beantwoorden, is of de verklaring van aangeefster voldoende betrouwbaar is. In zedenzaken is des te meer behoedzaamheid geboden, juist omdat er doorgaans geen directe getuigenverklaringen beschikbaar zijn. De verklaring van aangeefster dient te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in een verklaring op punten tegenstrijdigheden kunnen voorkomen, maakt die verklaring overigens op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, aan emoties en schaamte, of aan tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.

Het gerecht komt tot de conclusie dat de verklaring van aangeefster deze test doorstaat. Aangeefster heeft vrijwel direct na het voorval daarover verteld aan haar vriendinnen en de volgende dag in een gedetailleerde, specifieke en consistente verklaring bij de politie verteld over wat haar was overkomen. Redenen om een valse aangifte te doen zijn het Gerecht niet gebleken. De verdediging heeft nog gesuggereerd dat aangeefster een valse aangifte heeft gedaan als reactie op een bericht op een Instagram-roddelaccount. Dat betoog mist feitelijke grondslag. Aangeefster heeft uitgelegd dat zij na het verschijnen van dit bericht uit angst in eerste instantie juist niet aan de schoolleiding en haar vader wilde vertellen wat er was gebeurd. Zij legt ook uit wat maakte dat zij uiteindelijk toch alles aan haar vader en de politie besloot te vertellen.

Is er voldoende steunbewijs?

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of de verklaringen van aangeefster voldoende kwalitatief worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Met andere woorden: is er voldaan aan het bewijsminimum?

Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan immers niet uitsluitend worden aangenomen op de enkele verklaring van een slachtoffer. Die verklaring zal voldoende steun moeten vinden in ander bewijsmateriaal. Aan de andere kant is niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.

De vraag of er voldoende steunbewijs is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel moet het steunbewijs in elk geval op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van aangeefster. Steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron. Enkel een verklaring van een ander aan wie de aangeefster heeft verteld wat haar is overkomen levert daarom op zichzelf niet voldoende steunbewijs op.

Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt bevestigen, kunnen binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven een rol van betekenis te spelen als steunbewijs.

In deze zaak wordt belangrijk steunbewijs in de eerste plaats geleverd door de resultaten van het forensisch (DNA-)onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut. In de bemonstering van het lichaam van aangeefster, en van de door haar bij het incident gedragen onderkleding, is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met het profiel van verdachte. Ook is de aanwezigheid van sperma vastgesteld. Dat maakt duidelijk dat er in elk geval seks was tussen aangeefster en verdachte. Opmerkelijk is het daarbij overigens dat verdachte pas op de zitting heeft willen erkennen dat er seksueel contact was geweest. Als reden voor zijn aanvankelijke verklaring dat er niets was gebeurd gaf hij dat hij aangeefster ‘wilde beschermen’. Op de vraag op welke manier aangeefster – die al aangifte had gedaan - door zijn ontkenning zou worden beschermd, kon verdachte geen antwoord geven.

Het Gerecht is van oordeel dat er ook op het punt van het geweld en de dwang voldoende steunbewijs is, vooral in de vorm van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Belangrijk is daarbij dat deze vriendinnen van aangeefster niet alleen kunnen verklaren dat aangeefster hen meteen afzonderlijk na het incident vertelde dat zij was gedwongen, maar dat zij ook zelf hebben waargenomen dat aangeefster nerveus was. [getuige 1] beschrijft zelfs nog dat aangeefster trilde. Ook de vader neemt emoties waar: aangeefster huilt als haar gevraagd wordt te vertellen wat er is gebeurd.

In de verklaring van de getuige [getuige 1] valt te lezen dat ‘zij het toch wilde doen’, maar uit de context blijkt dat dit een evidente vertaalfout vanuit het Papiamento is. Het kan niet anders dan dat de getuige hier op verdachte doelde. Aan deze passage kan dus niet de betekenis worden gegeven die die de verdediging daaraan toekent, namelijk dat aangeefster met de seks instemde.

Tenslotte vindt de aangifte nog steun in de verklaring van de [getuige 3], die waarnam dat een jongen uit het toilet kwam en dat aangeefster daar in een gehurkte positie was, met haar short een beetje naar beneden getrokken.

Slotsom ten aanzien van het bewijs

Het gerecht komt tot de conclusie dat de aangifte betrouwbaar is, dat die voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen en dat al met al wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Primair

hij op of omstreeks 27 november 2024 in Aruba door geweld of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2009 heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal zijn vingers en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden, en welk geweld of die andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan, dat hij verdachte,

  • de hand van die [slachtoffer] heeft vastgehouden en haar wilde meebrengen naar de jongens badkamer en/of

  • die [slachtoffer] onder haar heup heef omhelsd en heeft opgetild en naar de jongens badkamer heeft gebracht, op die [slachtoffer] blijven inpraten, zodat die [slachtoffer] bewogen werd tot het ondergaan van seksuele handelingen en/of

  • voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale protesten van die [slachtoffer] en/of

  • zijn hand in de onderbroek van die [slachtoffer] heeft gestoken en haar

onderbroek opzij heeft geschoven en/of

  • die [slachtoffer] heeft omgekeerd en de kleding en/of (onder)broek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/of

  • de hand van die [slachtoffer] (tegen de muur) heeft vastgehouden en haar

(onder)broek helemaal naar beneden tot aan haar voeten heeft getrokken en/of

- die [slachtoffer] op haar rug op de vloer liet liggen, haar korte broek en slipje

heeft uitgetrokken en op haar is gaan liggen en/of

- zijn hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gezet/gehouden en/of

misbruik heeft gemaakt dan zijn fysieke overwicht.

6. Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

1. Een proces-verbaal van aangifte [vader van slachtoffer] d.d. 28 november 2024 (bijlage 1), voor zover inhoudende, als verklaring van de getuige [vader van slachtoffer], -zakelijk weergegeven-:

Mijn dochter bezoekt de [schoolnaam] te [locatie]. Zij is genaamd [slachtoffer]. Zij is nu [leeftijd] oud.

Het hoofd van de school vroeg aan mijn dochter of zij bereid was te vertellen wat er met haar was gebeurd. Mijn dochter begon te huilen en gaf aan dat zij niet bereid was om mij te vertellen. Het was toen dat het hoofd van de school mij begon te vertellen dat er gisteren iets was gebeurd met mijn dochter. Mijn dochter had aan juf Giel verteld dat een jongen aan mijn dochter had aangeboden om een vape sigaret te gaan proberen. Op gegeven moment had de jongen mijn dochter opgetild en naar de badkamer gebracht. Volgens de verklaring van het hoofd werd mijn dochter toen door de jongen seksueel misbruikt.

2. Een proces-verbaal van getuigenverhoor [slachtoffer] d.d. 28 november 2024 (bijlage 2), voor zover inhoudende, als verklaring van de getuige [slachtoffer], -zakelijk weergegeven-:

De jongen genaamd [bijnaam van verdachte] had mij gevraagd of ik wou gaan vapen. [Bijnaam van verdachte] had tegen mij gezegd dat hij een goede plek voor ons had waar niemand ons kon zien. Ik weigerde zijn verzoek. Hij greep mijn hand vast en wilde mij meebrengen maar ik liep niet met hem mee. Hij omhelsde mij toen onder mijn heup en tilde mij op. Hij is groter en dikker dan mij, ik kon mij niet tegen hem verzetten. [Bijnaam van verdachte] had mij in de jongens badkamer gebracht. [Bijnaam van verdachte] probeerde mij op mijn mond te kussen maar ik keerde mijn gezicht van hem af en ik probeerde hem af te duwen. Hij verzocht mij om hem mij te laten vingeren. Ik had hem geweigerd. Hij stak toch zijn linkerhand via mijn rechterbeen in mijn korte broek, hij schoof mijn ondergoed met zijn hand opzij en hij stak een of twee vingers in mijn vagina. Ik voelde pijn aan mijn vagina en ik vond het niet leuk. [Bijnaam van verdachte] verzocht mij toen om mij uit te kleden. Ik weigerde hem weer. Hij keerde mij toen om en had mijn korte broek en mijn ondergoed naar beneden getrokken maar ik had ze meteen weer omhooggetrokken. Ik keerde mij weer naar hem toe. Hij bleef mij vragen om het met hem te doen maar ik bleef hem weigeren. Ik zei tegen hem dat ik het niet wil en dat hij moest stoppen maar hij wou niet stoppen. Hij hield mijn hand vast en hij trok mijn korte broek en ondergoed helemaal naar beneden tot aan mijn voeten. Ik probeerde hem te duwen terwijl ik tegen hem zei dat ik niets met hem wilde doen. Op dat moment had [getuige 3] de douche deur opengemaakt. [Bijnaam van verdachte] liep de douche uit en ik was in de douche gebleven. [Bijnaam van verdachte] had [getuige 3] buiten de badkamer gestuurd. Ik trok meteen mijn slipje en mijn korte broek weer aan, maar voordat ik uit de douche kon stappen was [bijnaam van verdachte] al bij de deur en hij hield mij daarin. [Bijnaam van verdachte] stapte weer binnen de douche en probeerde mij weer te kussen en mijn kleren uit te trekken. Ik probeerde me tegen hem te verzetten maar het lukte mij niet. [Bijnaam van verdachte] liet mij toen op mijn rug op de vloer liggen, hij trok mijn korte broek en slipje uit. Hij kwam op mij liggen en probeerde zijn penis in mijn vagina te steken. Ik probeerde hem van mij af te duwen. Ik duwde hem aan zijn borstkas en ik probeerde mijn benen dicht te houden, maar hij is sterker en zwaarder dan mij. Hij had zijn penis in mijn vagina gestoken. Ik voelde pijn toen hij zijn penis in mijn vagina had gestoken. Pijn aan mijn vagina. Hij begon op mij te bewegen. Ik weet niet hoe ik het kan zeggen maar hij stak zijn penis in en uit mijn vagina. Hij had niets tegen mij gezegd toen hij dat deed. Hij had zijn broek ook niet uitgetrokken maar hij had alleen zijn rits en broeksknoop opengedaan. Ik weet niet hoe lang het heeft geduurd. Hij haalde zijn penis uit mijn vagina, stond op en en deed zijn rits en knoop weer dicht. Hij hielp mij opstaan en ik trok mijn slipje en korte broek aan. [Bijnaam van verdachte] liep de douche uit. Ik stond nog in de douche en ik voelde iets aan mijn vagina. Ik ging met mijn hand controleren en zag dat ik aan het bloeden was. [Bijnaam van verdachte] was teruggekomen en ik had tegen hem gezegd dat hij mij liet bloeden en dat ik maagd was. Ik had tegen [getuige 1] verteld dat [bijnaam van verdachte] mij had ontmaagd. Ik zei tegen haar dat ik het niet wilde en dat ik dat verschillende keren tegen [bijnaam van verdachte] had gezegd maar dat hij mij in de badkamer had gedwongen.

De kleren die ik gisteren in de jongens badkamer aan had zijn op dit moment in de vuile kleren mand die in de slaapkamer van mijn ouders staat.

3. Een proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 1] d.d. 6 januari 2025 (bijlage 4), voor zover inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 1], -zakelijk weergegeven-:

Zij was naar mij toe in de meisjeskamer gekomen. Ze deed de deur dicht. Daarna had zij mij gezegd dat zij haar maagd had verloren met [bijnaam van verdachte]. Zij was naar ons toegekomen en had aan ons gevraagd om een kotex. Zij was nerveus en haar hand was aan het trillen. Zij was erg nerveus. Haar gezicht was rood.

Zij had tegen mij gezegd dat zij twee keren ‘nee’ tegen [bijnaam van verdachte] had gezegd, maar dat zij [het Gerecht begrijpt: hij, de verdachte] het toch wilde doen. Zij had tegen mij gezegd at [bijnaam van verdachte] haar hand vast had en had zijn hand om haar mond gezet zodat zij niet ons kon roepen om haar te gaan helpen.

4. Een proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 2] d.d. 8 januari 2025 (bijlage 5), voor zover inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 2], -zakelijk weergegeven-:

Zij had tegen mij gezegd dat [bijnaam van verdachte] haar had gedwongen en dat [hij] haar ongesteld had gekregen. Zij begon aan ons te vertellen dat zij geneukt had met [bijnaam van verdachte] in de toiletkamer van de jongens. Zij was een beetje nerveus toen zij dat tegen ons had gezegd.

Zij had tegen mij gezegd dat [bijnaam van verdachte] haar hand tegen de muur vast had gehouden. Met dwingen denk ik dat zij bedoelt: dwingt haar om seks met haar te houden.

5. Een proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 3] d.d. 30 november 2024, voor zover inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 3], -zakelijk weergegeven-:

Ik ging even naar de badkamer om te plassen. Ik zag een jongen uit de toilet komen. Ik had [slachtoffer] in de badkamer gezien en een jongen die uit het toilet kwam. Zij was in de gang in een gehurkte positie. Ik zag dat haar short een beetje naar beneden was getrokken.

6. Een geschrift, te weten een rapport van Nederlands Forensisch Instituut te Nederland, op 1 oktober 2025 opgemaakt en ondertekend door [specialist] functie NFI-deskundige, betreffende onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een melding van een seksueel misdrijf gepleegd in Oranjestad op 27 november 2024, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

AALD3477NL#01 (binnenzijde rechter broekspijp)

Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer] een van de donoren is, en dat een deel van het DNA afkomstig is van sperma.

DNA-mengprofiel AALD3477NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van verdachte [verdachte], dan wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van een willekeurige onbekende persoon.

AALD3478NL#02 (spoor binnenkant kruis)

Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer] een van de donoren is, en dat een deel van het DNA afkomstig is van sperma.

DNA-mengprofiel AALD3477NL#02 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van verdachte [verdachte], dan wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van een willekeurige onbekende persoon.

ZAAE1715NL#03 (introïtus)

Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer] een van de donoren is, en dat een deel van het DNA afkomstig is van sperma.

DNA-mengprofiel ZAAE1715NL#03 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van verdachte [verdachte], dan wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van een willekeurige onbekende persoon.

ZAAE1715NL#04 (diep vaqinaal)

Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer] een van de donoren is, en dat een deel van het DNA afkomstig is van sperma.

DNA-mengprofiel ZAAE1715NL#04 is ongeveer 3,5 miljoen keer waarschijnlijker

wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van verdachte [verdachte], dan wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van een willekeurige onbekende persoon.

7 De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Verkrachting,

strafbaar gesteld bij artikel 2:197 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

8 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

9 Oplegging van de Straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door haar als primair bewezen geachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden vordert de officier van justitie toezicht van de reclassering, een behandelverplichting, psychologische begeleiding en het volgen van een programma gericht op seksuele voorlichting.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair verlaging van de strafmaat.

Het oordeel van het Gerecht

De strafoplegging heeft het Gerecht voor een dilemma geplaatst.

Aan de ene kant heeft het Gerecht de opdracht om rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Dat geldt in het bijzonder voor jeugdige verdachten, en verdachte was ten tijde van het feit 16 jaar oud. Het jeugdstrafrecht heeft, veel meer dan bij volwassenen, een pedagogisch karakter. De nadruk ligt meer op de bevordering van ontwikkeling, het voorkomen van herhaling en herintegratie in de maatschappij dan op bestraffing. Daar komt bij dat de verdachte vermoedelijk zwakbegaafd is. De reclassering komt tot de conclusie dat verdachte door zijn gebrek aan cognitieve vermogens en door zijn impulsiviteit mogelijk tot een verkeerde inschatting is gekomen in de situatie met het slachtoffer.

Na zijn aanhouding is verdachte vrij snel onder voorwaarden vrijgekomen. Hij is daarna nog een keer gedetineerd geweest in een andere vermogenszaak, maar inmiddels weer geruime tijd vrij en hij is verder uit de problemen gebleven. Toezicht van de reclassering loopt nu goed. Verdachte gaat niet meer naar school maar heeft inmiddels werk gevonden.

Een onvoorwaardelijke jeugddetentie die verdachte nu nog moet uitzitten is lastig verenigbaar met de hiervoor besproken doelen van het jeugdstrafrecht. En toch is dat wat het gerecht in deze zaak beslist.

Het gerecht moet namelijk ook oog hebben voor de ernst van het feit. En een verkrachting als deze is een zeer ernstig strafbaar feit. Verdachte heeft met zijn fysieke overwicht een meisje van 15 gedwongen om, op de vloer van een jongensbadkamer, seks met hem te ondergaan. Het slachtoffer was daarbij niet opgewassen tegen de veel grotere, zwaardere en sterkere verdachte. Het lijdt geen twijfel dat de impact van een dergelijke grove inbreuk op de lichamelijke integriteit zeer groot is, zeker als het gaat om een jong slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van verkrachting lang te kampen hebben met de psychische gevolgen van wat hen is aangedaan.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is het Gerecht van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming onontkoombaar is, ondanks de jeugdige leeftijd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft het voordeel gehad dat de rechter-commissaris zijn voorlopige hechtenis in een vroeg stadium heeft geschorst, een beslissing die in de gegeven omstandigheden ook goed te begrijpen was. Dat voordeel heeft een onvermijdelijke keerzijde, namelijk dat verdachte nu – anderhalf jaar later – alsnog weer terug in detentie zal moeten. Dat zal de verdachte zwaar vallen, maar de rechter-commissaris had de verdachte al gewaarschuwd dat de schorsing niet betekende dat de zaak en een vrijheidsstraf van de baan waren.

Het gerecht heeft verder kennisgenomen met een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 21 april 2026, waaruit blijkt dat hij recent en ook na dit strafbare feit voor vermogensdelicten is veroordeeld.

Ook heeft het Gerecht acht geslagen op het advies van de Stichting Reclassering en Jeugdbescherming Aruba. Uit het advies blijkt dat de reclassering het risico op recidive inschat als gemiddeld. De reclassering adviseert begeleiding door de reclassering, een behandelverplichting, psychologische begeleiding en een verplicht programma gericht op seksuele voorlichting.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte geven aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Aan dat voorwaardelijke deel zal het Gerecht de bijzondere voorwaarden verbinden die de reclassering adviseert en die er specifiek op gericht zijn om bij deze verdachte herhaling te voorkomen.

Het Gerecht is, na dit alles te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een jeugddetentie twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:2, 1:22, 1:62, 1:138 en 1:158 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

DE BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van twaalf 12 maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot zes (6) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte, dan als veroordeelde, zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende de proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd:

stelt als bijzondere voorwaarde dat:

de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Aruba, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt ook als dat inhoudt:

  • psychologische begeleiding;

  • het volgen van een behandeling als de reclassering dat nodig acht;

  • het volgen van een programma gericht op seksuele voorlichting.

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Diepraam, rechter, bijgestaan door mw. M.V. Alvarez, (zittingsgriffier), en op 11 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.

Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Aruba (Divisie Centrale Recherche, Sectie Jeugd en Zedenpolitie) d.d. 23 juli 2025, geregistreerd onder proces-verbaalnummer Z-43/24 en de onderzoeknaam “Banheiro”.