Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:333

Op 6 February 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16.202590.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:333. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16.202590.25
Datum uitspraak:
6 February 2026
Datum publicatie:
6 February 2026

Indicatie

De verdachte wordt vrijgesproken van het meermaals verkrachten van een 13/14-jarig meisje, omdat er onvoldoende steunbewijs is voor haar op zichzelf betrouwbare verklaring. De verdachte wordt wel veroordeeld voor de aanranding van een 15-jarig meisje. Aan hem wordt een gevangenisstraf van 75 dagen opgelegd (met aftrek van het voorarrest) en een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, met daaraan gekoppeld verschillende bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling op het gebied van seksualiteit en intieme relaties.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/202590-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres:

[adres] , [postcode] in [plaats] ,

hierna: de verdachte.

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is achter gesloten deuren behandeld op de zitting van 16 januari 2026. Het onderzoek is, met instemming van de officier van justitie en de verdediging, enkelvoudig gesloten op 23 januari. 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

de verdachte;

de officier van justitie: mr. M.M. Rademaker;

de advocaat van de verdachte: mr. H.J. Veen (hierna: de advocaat);(vul naam advocaat in met voorletters)(vul vestigingsplaats advocaat in)

de benadeelde partij: [aangeefster 1] met haar moeder;

de advocaat van de benadeelde partijen [aangeefster 2] en [aangeefster 1] (waarnemend voor haar kantoorgenoot M. Rotgans): mr. P. van der Geest;

de mentor van de verdachte.

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

in de periode van 1 september 2024 tot en met 3 juli 2025 in Nieuwegein/Benschop/Lopik een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, [aangeefster 2] , meermalen heeft verkracht waarbij sprake was van dwang/bedreiging/geweld.

feit 2

op 3 juli 2025 in Lopik een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, [aangeefster 1] , heeft aangerand waarbij sprake was van dwang, geweld en/of bedreiging.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3
Bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte beide feiten op de beschuldiging heeft gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.

3.2

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte integraal vrij te spreken van feit 1 en de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 2. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Inleiding en bewijs in zedenzaken

De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken doorgaans slechts twee personen aanwezig waren bij de gestelde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Als een verdachte de handelingen ontkent, kan dat de beantwoording van de bewijsvraag ingewikkeld maken. Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechtbank namelijk niet alleen worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring moet er sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer.

Betrouwbaarheid

In zedenzaken dient de rechtbank te toetsen of de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid kijkt de rechtbank onder andere naar de consistentie, de gedetailleerdheid, en de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen.

Steunbewijs

Als de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar oordeelt moet de rechtbank, om tot een veroordeling te komen, ook beoordelen of die verklaringen voldoende steun vinden in het overige bewijs. Niet is vereist dat dit steunbewijs betrekking heeft op de hele tenlastelegging. Het is voldoende dat de verklaring van de aangeefster op onderdelen steun vindt in ander bewijs. Of daarvan sprake is moet worden beoordeeld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.

3.3.2

Vrijspraak feit 1 (aangeefster [aangeefster 2] )

De verdachte wordt ervan verdacht [aangeefster 2] (hierna: [aangeefster 2] ), toen 13 en 14 jaar oud, meermalen te hebben verkracht gedurende een periode van 10 maanden.

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van [aangeefster 2] betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank legt hierna uit waarom.

[aangeefster 2] heeft zowel op het strandje, waar zij werd aangetroffen samen met de verdachte, als kort daarna op het politiebureau gedetailleerd en consistent verklaard over wat er tussen haar en de verdachte is voorgevallen. [aangeefster 2] verklaarde dat ze in de maanden daarvoor meermalen tegen haar wil en onder dwang seks had met de verdachte en ook seksuele handelingen met haar mond en handen heeft moeten verrichten bij hem. Daarnaast heeft [aangeefster 2] zowel op het strandje als op het politiebureau specifiek verklaard over een moment in het bos achter haar huis, waar zij tegen haar wil en onder dwang seks met de verdachte heeft gehad. Bij de politie verklaarde ze dat dit moment haar bij is gebleven en dat dit een maand eerder was gebeurd. Bovendien verklaarde [aangeefster 2] dat dat moment in het bos ook de laatste keer was dat zij gedwongen seks had met de verdachte. Over de verschillende keren dat zij gedwongen seks had met de verdachte verklaarde [aangeefster 2] verder dat het niet heel prettig voelde, maar dat het geen pijn deed. [aangeefster 2] heeft het handelen van de verdachte dus niet groter of ernstiger gemaakt dan hoe het volgens haar is gegaan. Ook dit draagt bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Uit het dossier blijkt verder dat [aangeefster 2] ter plaatse op het strand spontaan verklaarde over de gedwongen seks en op het politiebureau zelfstandig heeft besloten om aangifte te doen.

Gelet op de consistente, gedetailleerde en authentieke verklaringen van [aangeefster 2] in combinatie met de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen acht de rechtbank de verklaringen van [aangeefster 2] betrouwbaar. De rechtbank zal haar verklaringen daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.

Steunbewijs

De volgende vraag die voorligt is of de verklaringen van [aangeefster 2] over de ten laste gelegde verkrachtingen voldoende worden ondersteund door ander bewijs, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv wordt voldaan.

Aantreffen [aangeefster 2]

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 september 2024 tot en met 3 juli 2025 [aangeefster 2] meermaals heeft verkracht. Uit het dossier blijkt dat [aangeefster 2] samen met de verdachte is aangetroffen op het strand [locatie] op 3 juli 2025. [aangeefster 2] heeft vervolgens bij de politie verklaard dat zij een maand eerder voor de laatste keer (gedwongen) seks had met de verdachte en dat er de dag waarop zij werd aangetroffen op het strand (nog) niets was gebeurd. Van verkrachting is die dag dus geen sprake geweest. De gemoedstoestand van [aangeefster 2] op het moment dat de politie hen aantrof op 3 juli 2025 (zij was toen erg emotioneel, zat in elkaar gedoken en gaf aan bang te zijn), kan daarom niet worden gebruikt als steunbewijs van de verkrachtingen een maand eerder en de maanden daarvoor. Het aantreffen van de condooms (in verpakking) op de handdoek waarop de verdachte en [aangeefster 2] op 3 juli 2025 werden aangetroffen is opvallend en roept vragen maar op, maar kan niet dienen als steunbewijs voor verkrachtingen die tenminste een maand daarvoor zouden hebben plaatsgevonden.

Berichten/foto’s in telefoon van verdachte en [aangeefster 2]

De telefoon van de verdachte is door de politie uitgelezen. In de telefoon van de verdachte zijn verschillende seksueel getinte berichten aangetroffen tussen [aangeefster 2] en de verdachte. Deze berichten gaan echter niet over seksueel contact dat tussen hen zou hebben plaatsgevonden. Wel blijkt uit de berichten dat de verdachte zich zeer controlerend en dwingend opstelde richting [aangeefster 2] . Zo moest zij hem vertellen met wie zij omging en moest zij op elk moment van de dag haar telefoon opnemen als hij haar belde. Ook schold hij haar uit toen zij vertelde dat ze op een begrafenis had gehuild en een knuffel had gekregen van een mannelijk familielid van de overledene. Op de telefoon van [aangeefster 2] zijn onder meer zogenaamde ‘dickpics’ aangetroffen die, gelet op de achtergrond van die foto’s (die overeenkomt met de achtergrond op andere foto’s van verdachte) vermoedelijk door verdachte gemaakt en verstuurd zijn. Ook voor deze berichten en foto’s geldt dat de rechtbank deze opvallend vindt, en vragen oproepen over de aard van de relatie tussen de verdachte en de aangeefster. Deze berichten en foto’s kunnen echter niet als steunbewijs worden gebruikt voor de tenlastegelegde verkrachtingen. Dat er seksueel getint berichtenverkeer tussen [aangeefster 2] en de verdachte plaatsvond, bewijst immers niet dat er daadwerkelijk seks tussen hen heeft plaatsgevonden.

De getuigenverklaring van de moeder en de vader van [aangeefster 2]

De moeder en de vader van [aangeefster 2] zijn door de politie gehoord. De moeder heeft aan de politie verteld dat [aangeefster 2] tegen hen niets heeft gezegd over de verkrachtingen, vermoedelijk omdat ze bang was om erover te praten. [aangeefster 2] is volgens haar moeder, na de aangifte op 3 juli 2025, voor een zwangerschapstest naar haar toegekomen, omdat [aangeefster 2] haar vertelde dat ze door de verdachte verplicht werd om zonder condoom seks te hebben. Het vragen om een zwangerschapstest door [aangeefster 2] , kan echter geen steunbewijs vormen voor de verdenking van verkrachting. Het is immers [aangeefster 2] die dit verhaal aan haar moeder vertelt, en deze verklaring is dus van dezelfde bron afkomstig als de aangifte (namelijk: [aangeefster 2] ). Verder heeft moeder verklaard dat zij een verandering in het sociale gedrag van [aangeefster 2] heeft waargenomen sinds het contact met de verdachte is geëindigd. Zo speelt ze weer meer met haar broertje. De rechtbank kan echter onvoldoende vaststellen dat die waargenomen gedragsverandering bij [aangeefster 2] verband houdt met het niet langer hebben van seks met de verdachte. De rechtbank kan zich voorstellen dat ook het feit dat de ongezonde relatie tussen [aangeefster 2] en de verdachte tot een einde was gekomen, bij haar een gedragsverandering heeft teweeg gebracht. Verder spreekt de moeder over buien, maar ze zegt erbij dat [aangeefster 2] die ook al had voordat de verdachte in beeld kwam. Ook in de waargenomen gedragsverandering kan dus geen steunbewijs worden gevonden voor de verkrachtingen.

Conclusie

De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier duidelijk naar voren komt dat de verdachte op verschillende manieren (ver) over de grenzen van de toen dertien- en veertienjarige [aangeefster 2] is gegaan, door onder andere zijn dwingende manier van communiceren en zijn controlerende gedrag. De manier waarop zij zijn aangetroffen op het strandje, doet ook vermoeden dat de verdachte van plan was seks met haar te hebben, terwijl dat gelet op haar leeftijd hoe dan ook strafbaar zou zijn. De rechtbank gelooft dat [aangeefster 2] bang was voor de verdachte en vindt dat de verdachte [aangeefster 2] , die vanwege haar jonge leeftijd kwetsbaar was, niet goed heeft behandeld. Tegelijkertijd moet de rechtbank vaststellen dat in het dossier onvoldoende steunbewijs voorhanden is om te bewijzen dat de verdachte [aangeefster 2] in de tenlastegelegde periode (meermalen) heeft verkracht. De op zichzelf betrouwbare en geloofwaardige verklaring van [aangeefster 2] wordt niet voldoende ondersteund door ander bewijs, waardoor niet wordt voldaan aan het wettelijke bewijsminimum.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [aangeefster 2] onvoldoende wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen in het dossier om aan het wettelijke bewijsminimum te voldoen.

Gelet op voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

3.3.3

Bewijsmiddelen feit 2

De rechtbank oordeelt dat feit 2 is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: (Voetnoot 1)

Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 1] , voor zover inhoudende:

Op donderdag 3 juli 2025 hoorden wij [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2010. Zij verklaarde het volgende. Op 3 juli 2025 waren [aangeefster 2] en ik aan het fietsen en toen kwamen we hem (de rechtbank leest: de verdachte) tegen. We waren op de rotonde van Lopik naar Nieuwegein en hij stond ons daar op te wachten. Ik ging hard fietsen want ik had er geen zin in. Toen kwam hij mij achterna. Hij ging toen aan mijn kont zitten. Toen sloeg hij weer op mijn kont en zat aan mijn benen. Hij zei dat ik moest gaan stilstaan. Hij ging van zijn scooter af en zat aan mijn tieten, kont en aan mijn plasser. Ik duwde hem weg en toen ging hij achter mij staan en pakte mij bij mijn plasser. Ik duwde hem weg. Hij pakte mij toen weer van achter en zat aan mijn plasser en wilde mij een zuigzoen geven. Dit probeerde hij nog een keer. Ik fietste weg en hij achtervolgde mij. We kwamen bij een bruggetje toen zat hij weer aan mijn billen. Hij zei ga nou opstaan dan kan ik aan je billen zitten. Hij kwam achter mij rijden ik ging sneller fietsen en toen vroeg hij mag ik aan je billen zitten. Ik zei nee je moet stoppen. (Voetnoot 2)

Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 2] , voor zover inhoudende:

Ik zag dat [verdachte] in [aangeefster 1] 's kont kneep. (Voetnoot 3)

Het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025, voor zover inhoudende:

In het opsporingsonderzoek contra de verdachte is de telefoon van [verdachte] in beslag genomen. Daarop zag ik (Voetnoot 4) een chatgesprek dd. 3 juli 2025, tussen het bij verdachte [verdachte] in gebruik zijnde telefoonnummer en ene [A] :

3-7-2025 10:31:31(UTC*0) From: (owner) To [A] : [aangeefster 1] heft grote tieten voelde ik net. (Voetnoot 5)

3.3.4

Bewijsoverwegingen feit 2 (aangeefster [aangeefster 1] )

De verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij op 3 juli 2025 [aangeefster 1] (hierna: [aangeefster 1] ) heeft aangerand terwijl zij samen met haar vriendin [aangeefster 2] aan het fietsen was en de verdachte op zijn scooter langs reed. [aangeefster 1] heeft hierover dezelfde dag een verklaring afgelegd tegenover de politie en aangifte gedaan tegen de verdachte.

Betrouwbaarheid

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van [aangeefster 1] betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank legt hierna uit waarom.

[aangeefster 1] heeft bij de politie specifiek verklaard over wanneer en hoe de verdachte haar (ongewenst) aanraakte en wat zij heeft gedaan om duidelijk te maken dat zij dit niet wilde. Deze verklaring heeft zij kort na het incident, dezelfde dag nog, tegenover de politie afgelegd waarna zij aangifte tegen de verdachte heeft gedaan. Uit de verklaring van de moeder van [aangeefster 1] blijkt dat [aangeefster 1] aan haar moeder dezelfde specifieke omschrijving van de handelingen heeft gegeven als later aan de verbalisant. Ook verklaart [aangeefster 1] specifiek over de plek waar het zou zijn gebeurd en heeft de verdachte zelf aangegeven dat het klopt dat hij samen met haar op die plek was en haar een knuffel heeft gegeven.

Gelet op de gedetailleerdheid van de verklaring van [aangeefster 1] en de wijze waarop deze verklaring tot stand is gekomen acht de rechtbank de verklaring van [aangeefster 1] betrouwbaar. De rechtbank zal haar verklaring daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.

Steunbewijs

De verklaring van [aangeefster 1] wordt ondersteund door i) een WhatsApp-bericht dat de verdachte diezelfde dag naar ene ‘ [A] ’ heeft , en ii) de verklaring van [aangeefster 2] dat de verdachte in de kont van [aangeefster 1] kneep.

Nu de verklaring van [aangeefster 1] , naast dat haar verklaring betrouwbaar is, door meerdere bewijsmiddelen op belangrijke punten wordt ondersteund, oordeelt de rechtbank dat feit 2 wettig en overtuigend is bewezen.

Partieel vrijspraak (feit 2)

In de tenlastelegging is ook opgenomen dat de aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van of gevolgd door bedreiging met een mes. De rechtbank is (met de raadsman) van oordeel dat dit niet kan worden bewezen. Hoewel [aangeefster 1] heeft verklaard dat verdachte haar enkele dagen eerder heeft laten zien een mes bij zich te dragen, kan het tonen van dat mes niet direct gekoppeld kan worden aan de aanranding op 3 juli 2025. De aangifte bevat geen concrete informatie waaruit blijkt dat de verdachte het mes op 3 juli 2025 heeft getoond of op andere wijze heeft gedreigd met het mes. De rechtbank spreekt de verdachte van dat deel van de tenlastelegging dus vrij.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 2

op 3 juli 2025 te Lopik, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2010, seksuele handelingen heeft verricht, door

- in de billen en de borsten te knijpen en op de billen te slaan, en

- te proberen die [aangeefster 1] een (zuig)zoen te geven, en

- de benen en de billen en de borsten en de vagina van die [aangeefster 1] aan te

raken en te betasten,

welke aanranding werd voorafgegaan door en vergezeld door dwang, door

- die [aangeefster 1] aan te raken op haar bil terwijl zij aan het fietsen was, en

- die [aangeefster 1] van achteren vast te pakken, en

- misbruik te maken van zijn feitelijke en/of fysieke overwicht, en

- voorbij te gaan aan de non-verbale signalen van verzet en weerstand van die [aangeefster 1] .

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4
Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.

4.2.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5
Straf
5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:

verblijf in een instelling voor begeleid wonen;

een behandelverplichting;

medewerking aan begeleiding en ondersteuning bij zijn autismespectrumstoornis;

medewerking aan traumabehandeling;

medewerking aan begeleiding/behandeling om een gezonde seksuele ontwikkeling te bevorderen;

behouden van een zinvolle dagbesteding/werk.

De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:

- een contact- en locatieverbod (met de slachtoffers en voor de plaatsen Montfoort, Benschop en Lopik) als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van één week bij een eerste overtreding, twee weken bij een tweede overtreding en zo oplopend, voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, met een maximum van 6 maanden.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat sterk rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die blijken uit het pro-Justitia rapport. Hij vraagt daarnaast om toepassing van het adolescentenstrafrecht. De advocaat vraagt de rechtbank om de conclusies in het pro-Justitia rapport over te nemen voor wat betreft de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de geadviseerde behandelingen in de vorm van bijzondere voorwaarden te koppelen aan een voorwaardelijk strafdeel. De advocaat verzoekt om onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte al heeft vastgezeten en bijzondere voorwaarden te koppelen aan een voorwaardelijk strafdeel.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding met dwang van een meisje van (toen) 15 jaar oud. De verdachte betastte haar daarbij (over haar kleding) op haar intieme lichaamsdelen, sloeg op haar billen, kneep in haar borsten en billen en probeerde haar een (zuig)zoen te geven. Dit terwijl zij meermalen duidelijk maakte dat zij dit niet wilde. De verdachte is ruim twee jaar ouder dan het slachtoffer en hij heeft een stevig postuur; er was dus sprake van zowel fysiek als feitelijk overwicht. De verdachte heeft het slachtoffer respectloos behandeld en haar recht op lichamelijke integriteit ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen behoeften. Hij heeft geen rekening gehouden met de weerslag die zijn handelen op haar heeft gehad. Uit de slachtofferverklaring die de moeder van het slachtoffer op de zitting heeft voorgelezen blijkt dat het handelen van de verdachte het slachtoffer nog steeds boos maakt en dat zij veel onmacht heeft gevoeld.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 16 september 2025 blijkt dat hij niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het pro-Justitia (dubbel)rapport van psychiater drs. A.M. de Jong en kinder- en jeugdpsycholoog (en tevens GZ-psycholoog en orthopedagoog-generalist) G.H.J. Friedrichs-Groenendaal van 3 november 2025.

Uit het rapport blijkt onder meer dat bij de verdachte diverse stoornissen zijn vastgesteld. Volgens beide deskundigen is bij de verdachte sprake van een autismespectrumstoornis, ADHD van het gecombineerde type, PTSS en een persisterende rouwstoornis. Volgens de psycholoog wordt bovendien de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte bedreigd met antisociale trekken.

De deskundigen adviseren beiden het jeugdstrafrecht toe te passen en een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, met onder andere als bijzondere voorwaarden: ambulante forensische zorg waarin aandacht is voor traumabehandeling, psychomotorische therapie en begeleiding (van een seksuoloog) in het kader van een gezonde seksuele ontwikkeling.

Beide deskundigen adviseren om het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De reclassering heeft op 2 januari 2026 een advies geschreven over de verdachte. De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen en een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: (1) begeleiding door jeugdreclassering, (2) ambulante behandeling, (3) verblijf in begeleid wonen, (4) dagbesteding en (5) contactverbod. De reclassering schat het gevaar op herhaling in als gemiddeld.

De Raad voor de Kinderbescherming rapporteert in zijn rapport van 12 januari 2026 het interventieadvies van het NIFP en de reclassering te ondersteunen. Hetzelfde geldt voor het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Strafoplegging

De rechtbank houdt rekening met de straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van jeugddetentie. De rechtbank acht, mede gelet op de adviezen van de deskundigen, een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, zijnde 75 dagen, passend en geboden. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte zo snel mogelijk wordt geholpen met zijn problematiek en wordt begeleid bij het aanbrengen en behouden van structuur en stabiliteit in zijn leven. Hij hoeft van de rechtbank dus niet terug naar de (jeugd)gevangenis.

Naast de jeugddetentie zal de rechtbank een forse voorwaardelijke werkstraf opleggen. Deze voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur, om de verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke werkstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering is geadviseerd. De rechtbank is tevens van oordeel dat de oplegging van een bijzondere voorwaarde in de vorm van een contactverbod met zowel [aangeefster 1] als [aangeefster 2] passend is gelet op de belangen van zowel [aangeefster 1] als [aangeefster 2] . Hoewel de verdachte is vrijgesproken van feit 1 (de verkrachting van [aangeefster 2] ), ziet de rechtbank aanleiding om toch ook een contactverbod met [aangeefster 2] op te leggen. [aangeefster 2] was bij de aanranding van [aangeefster 1] aanwezig en zoals de rechtbank hiervoor heeft besproken was sprake van een ongezonde relatie tussen de verdachte en [aangeefster 2] en is zij bang voor hem. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de oplegging van een locatieverbod zoals door de officier van justitie en de benadeelde partijen is gevraagd. Middels een contactverbod worden hun belangen immers voldoende gewaarborgd.

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een jeugddetentie op van 75 dagen met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft vastgezeten. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als de werkstraf niet of niet naar behoren wordt verricht. Aan deze werkstraf verbindt de rechtbank een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals in het dictum vermeld.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en daarom uitgaat van een ander vertrekpunt. De straf die wordt opgelegd brengt, naar het oordeel van de rechtbank, de ernst van het bewezenverklaarde bovendien voldoende tot uitdrukking.

Anders dan de officier van justitie heeft gevraagd, zal de rechtbank het contactverbod met het slachtoffer niet opleggen in de vorm van een 38v-maatregel. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat oplegging van deze vrijheidsbeperkende maatregel noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Een contactverbod in de vorm van een bijzondere voorwaarde is onder deze omstandigheden toereikend.

6
Vordering benadeelde partijen
6.1

Vordering van de benadeelde partijen

[aangeefster 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 9.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld) als gevolg van feit 1 op de beschuldiging. Verder verzoekt [aangeefster 2] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ook is verzocht om de BEM-clausule van toepassing te verklaren op het toe te wijzen bedrag.

[aangeefster 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld) als gevolg van feit 2 op de beschuldiging. Verder verzoekt [aangeefster 1] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat beide vorderingen volledig kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.3

Standpunt van de verdediging

De advocaat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

6.4

Oordeel van de rechtbank

Vordering [aangeefster 2] (feit 1)

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem onder feit 1 ten laste gelegde. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding geldt in de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om zich tegen deze vordering te verweren. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

Vordering [aangeefster 1] (feit 2)

Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij – onder andere – een vergoeding toe voor immateriële schade als sprake is van een op andere wijze aantasten van de benadeelde partij in zijn of haar persoon. Daarvan is sprake bij psychisch letsel. Dat [aangeefster 1] psychisch letsel heeft opgelopen door het handelen van de verdachte is gesteld, niet betwist en niet onaannemelijk omdat [aangeefster 1] als minderjarige, slachtoffer is geworden van aanranding gepleegd door een meerderjarige, waarbij sprake is geweest van het meermalen betasten van verschillende intieme delen van het lichaam. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het handelen van de verdachte psychisch letsel heeft veroorzaakt bij [aangeefster 1] en zij daarom recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.

De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 15.3 onder b (aanranding, ernstig) van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt een bedrag vermeld tussen de € 1.000,- en € 5.000,-. Nu de benadeelde partij alleen op haar kleding is betast en ook het (mede) betasten van het ontblote geslachtsdeel binnen deze categorie valt, begroot de rechtbank de schade naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 3 juli 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 1.500,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Bij gebreke van betaling dient geen gijzeling te worden toegepast, gelet op de minderjarigheid van de verdachte ten tijde van (een deel van) het bewezenverklaarde.

7
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 36f, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

8
De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie van 75 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (te weten: 75 dagen), bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 40 dagen jeugddetentie;

- bepaalt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte:

1. Begeleiding door jeugdreclassering

meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt;

2. Ambulante behandeling

zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke

zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op begeleiding en ondersteuning bij autismespectrumproblematiek, traumabehandeling, agressieregulatie en

rouwverwerking. Tevens is binnen de behandeling expliciet aandacht voor de onderwerpen seksualiteit en intieme relaties. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

3. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering dat nodig vindt,

verblijft bij SDW of een soortgelijke instelling voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt;

4. Dagbesteding

zich inspant voor het vinden en behouden van werk met een vaste structuur;

5. Contactverbod met [aangeefster 1] en [aangeefster 2]

gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of

heeft met [aangeefster 1] (geboren op [geboortedatum] 2010) en [aangeefster 2] (geboren op [geboortedatum] 2011);

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- waarbij de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering in Amsterdam opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. De inmiddels meerderjarige is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster 2] (feit 1)

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster 1] (feit 2)

- wijst de vordering van [aangeefster 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.500,-;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [aangeefster 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling;

- verklaart de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] aan de Staat € 1.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij niet betaling dient geen gijzeling te worden toegepast;

- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan [aangeefster 1] dan wel aan de Staat heeft vergoed.

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. O. Böhmer en mr. G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2024 tot en met 3 juli 2025 te

Nieuwegein en/of Benschop en/of Lopik, althans in Nederland, met een kind in de

leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [aangeefster 2] , geboren op [geboortedatum] 2011,

een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, door, meermalen, althans

eenmaal,

- zich te laten aftrekken door die [aangeefster 2] , en/of

- zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 2] te brengen en/of te duwen

en/of te bewegen,

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door

dwang, geweld en/of bedreiging, door

- meermalen, althans eenmaal, te dreigen die [aangeefster 2] en/of de ouders van die [aangeefster 2] te

vermoorden, althans iets aan te doen, en/of het huis van die [aangeefster 2] in brand te

steken, en/of

- meermalen, althans eenmaal, te dreigen de ouders van [aangeefster 1] te vermoorden,

althans iets aan te doen, en/of

- die [aangeefster 2] tegen een boom aan te duwen, en/of

- die [aangeefster 2] stevig vast te pakken bij haar heupen en/of haar handen, en/of

- misbruik te maken van zijn feitelijke en/of fysieke overwicht, en/of

- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of

weerstand van die [aangeefster 2] ;

feit 2

hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Lopik, althans in Nederland, met een kind in de

leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2010, een

of meer seksuele handelingen heeft verricht, door

- in de billen en/of de borsten te knijpen en/of op de billen te slaan/tikken, en/of

- te proberen die [aangeefster 1] een (zuig)zoen te geven, en/of

- de benen en/of de billen en/of de borsten en/of de vagina van die [aangeefster 1] aan te

raken en/of te betasten,

en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door

dwang, geweld en/of bedreiging, door

- die [aangeefster 1] te zeggen altijd een mes bij zich te dragen en/of dat mes te laten zien,

en/of

- meermaals, althans eenmaal, te dreigen de ouders van die [aangeefster 1] te vermoorden,

althans iets aan te doen, en/of

- meermalen, althans eenmaal, te dreigen de ouders van [aangeefster 2] te vermoorden,

althans iets aan te doen, en/of

- een mes bij zich te dragen, althans bij zich te hebben, en/of

- die [aangeefster 1] aan te raken op haar bil terwijl zij aan het fietsen was, en/of

- die [aangeefster 1] van achteren vast te pakken, en/of

- misbruik te maken van zijn feitelijke en/of fysieke overwicht, en/of

- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of

weerstand van die [aangeefster 1] .

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2025222107, doorgenummerd pagina 1 tot en met 176. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

Pagina 58.

Voetnoot 3

Pagina 52.

Voetnoot 4

Pagina 70.

Voetnoot 5

Pagina 73.