Bestuursrecht overig

De bestreden beschikking bestaat uit twee componenten, namelijk de beslissing van de SVB op het bezwaar van…

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 24 juni 2026

Zaakgegevens

Op 24 juni 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Datum uitspraak
24 juni 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
CUR202504077
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:OGEAC:2026:144
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De bestreden beschikking bestaat uit twee componenten, namelijk de beslissing van de SVB op het bezwaar van eiser tegen de primaire beschikking en de beslissing van de SVB op het verzoek van eiser om schadevergoeding. Beroep tegen de ongegrondverklaring van eisers bezwaren is ongegrond. Voor zover het beroep is gericht tegen de afwijzing van eisers verzoek om schadevergoeding, is het Gerecht onbevoegd om daarvan kennis te nemen.

De SVB heeft de beslissing over de invorderbaarheid van het achterstallig pensioen en de kerstuitkeringen genomen op grond van en conform dwingendrechtelijke bepalingen van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (Lv AOV). Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die niet zijn verdisconteerd door de wetgever op grond waarvan de verjaringsartikelen van de Lv AOV buiten toepassing hadden moeten blijven.

Het is niet aan de bestuursrechter om te oordelen over de beslissing van de SVB over het verzoek om schadevergoeding van eiser. Volgens eiser is de oorzaak van de schade gelegen in het nalaten van de SVB om eiser te informeren over de sluiting van de Girobank. De gestelde schadeoorzaak betreft geen (beweerdelijk onrechtmatige) beschikking maar (het nalaten van) een feitelijke handeling. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar van de SVB van 26 augustus 2025, voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding van eiser is afgewezen, geen beschikking is waarover de bestuursrechter kan oordelen. De burgerlijke rechter is bevoegd om over het verzoek tot schadevergoeding te oordelen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonende te Curaçao,

eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde],

en

de Sociale Verzekeringsbank (SVB),

verweerster,

gemachtigde: mr. S.S.J. Vierbergen.

Partijen worden in deze uitspraak hierna eiser en de SVB genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen de beslissing van de SVB om het verzoek van eiser om achterstallig ouderdomspensioen uit te keren deels af te wijzen op grond van verjaring.

1.1

De SVB heeft deze beslissing genomen op 3 december 2024 (de primaire beschikking). Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt en bij dat bezwaar ook een verzoek om schadevergoeding gedaan. Op 26 augustus 2025 heeft de SVB op het bezwaar beslist, welke beslissing op 28 augustus 2025 aan eiser is uitgereikt (de bestreden beschikking). In de bestreden beschikking heeft de SVB het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen. Eiser heeft op 7 oktober 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking en op 3 november 2025 aanvullende gronden ingediend.

1.2

De SVB heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.

1.3

Het Gerecht heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

1.4

De gemachtigde van de SVB heeft zich ter zitting bereid verklaard om met de SVB te bespreken of uitbetaling van de gemiste pensioenuitkering over de periode november 2021 tot en met oktober 2022 alsnog mogelijk is. De SVB heeft op 6 mei 2026 bericht dat de SVB een minnelijke regeling voorstelt waarbij aan eiser alsnog wordt uitgekeerd 50% van het totaalbedrag van de gemiste pensioenaanspraken over de periode november 2021 tot en met oktober 2022 en de gemiste kerstuitkeringen van 2021 tot en met 2023. Eiser heeft op 13 mei 2026 het voorstel van de SVB afgewezen. Vervolgens heeft het Gerecht het onderzoek gesloten en een uitspraakdatum bepaald.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

2.1.

Het Gerecht stelt voorop dat de bestreden beschikking uit twee componenten bestaat, namelijk de beslissing van de SVB op het bezwaar van eiser tegen de primaire beschikking en de beslissing van de SVB op het verzoek van eiser om schadevergoeding.

2.2.

Voor zover het beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van eisers bezwaren, is het beroep ongegrond. Voor zover het beroep is gericht tegen de afwijzing van eisers verzoek om schadevergoeding, is het Gerecht onbevoegd om daarvan kennis te nemen.

2.2.1.

De SVB heeft de beslissing over de invorderbaarheid van het achterstallig pensioen en de kerstuitkeringen genomen op grond van en conform dwingendrechtelijke bepalingen van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (Lv AOV). Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die niet zijn verdisconteerd door de wetgever op grond waarvan de verjaringsartikelen van de Lv AOV buiten toepassing hadden moeten blijven.

2.2.2.

Het is niet aan de bestuursrechter om te oordelen over de beslissing van de SVB over het verzoek om schadevergoeding van eiser. Volgens eiser is de oorzaak van de schade gelegen in het nalaten van de SVB om eiser te informeren over de sluiting van de Girobank. De gestelde schadeoorzaak betreft geen (beweerdelijk onrechtmatige) beschikking maar (het nalaten van) een feitelijke handeling. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar van de SVB van 26 augustus 2025, voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding van eiser is afgewezen, geen beschikking is waarover de bestuursrechter kan oordelen. De burgerlijke rechter is bevoegd om over het verzoek tot schadevergoeding te oordelen.

2.3.

Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

3. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

Eiser is gepensioneerd en ontvangt een ouderdomspensioen (AOV-pensioen) op grond van de Lv AOV. Eiser heeft dementie en heeft zijn zoon [naam zoon] sinds 12 september 2013 gemachtigd om alle rechtshandelingen voor hem te verrichten. Zijn zoon is woonachtig in Nederland.

3.2.

Het AOV-pensioen van eiser werd tot november 2021 uitbetaald op zijn bankrekening bij de Girobank N.V. De Girobank zat sinds december 2013 in een noodregeling en is vanaf 1 oktober 2021 gestopt met al haar bankdiensten. De SVB heeft de uitbetaling van het AOV-pensioen van eiser vanaf november 2021 geblokkeerd omdat eiser geen nieuw bankrekeningnummer had doorgegeven.

3.3.

Op 7 oktober 2024 heeft eiser aan de SVB verzocht om zijn AOV-pensioen op een andere bankrekening te storten, om de AOV-uitkering te deblokkeren en de niet betaalde AOV-uitkeringen over de periode november 2021 tot en met oktober 2024 alsnog uit te betalen.

3.4.

Vervolgens heeft de SVB de primaire beschikking genomen op 3 december 2024. Op 14 januari 2025 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Eiser heeft daarbij ook verzocht om een schadevergoeding ter hoogte van alle niet uitbetaalde AOV- en kerstuitkeringen, vermeerderd met de wettelijke rente, omdat de SVB haar informatie- en zorgplicht heeft geschonden.

Waarom heeft de SVB het verzoek van eiser gedeeltelijk toe- en afgewezen?

4. De SVB heeft in de primaire beschikking beslist om het AOV-pensioen van eiser over de periode november 2022 tot en met december 2024 en de kerstuitkering van 2024 uit te betalen. De SVB heeft ook beslist dat de aanspraken op het pensioen vanaf november 2021 tot en met oktober 2022 alsmede op de kerstuitkeringen van 2021 tot en met 2023 zijn verjaard. De SVB heeft het verzoek van eiser in zoverre afgewezen.

5. De SVB heeft haar beslissing op bezwaar van 26 augustus 2025 gebaseerd op het advies van de bezwaar- en adviescommissie van 18 augustus 2025, dat integraal in de beslissing is opgenomen. De SVB overweegt dat zij haar beslissing over de invordering van de AOV- en kerstuitkeringen door eiser heeft genomen op grond van de desbetreffende bepalingen van de Lv AOV. Het bezwaar is daarom ongegrond, aldus de SVB.

Verder heeft de SVB het verzoek om schadevergoeding van eiser afgewezen, omdat geen sprake is van schending van een informatie- of zorgplicht door de SVB ten tijde van de sluiting van de Girobank. Daarbij heeft de SVB gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van de zoon van eiser om tijdig een nieuw bankrekeningnummer door te geven.

Wat voert eiser aan en wat vindt het Gerecht daarvan?

6. Eiser betoogt dat de SVB heeft verzuimd in haar informatie- en zorgplicht naar eiser. De SVB had eiser moeten informeren over de sluiting van de Girobank. Dit heeft de SVB niet gedaan. Daarom had de SVB de verjaringsbepalingen niet moeten toepassen en de gehele invordering van het achterstallig pensioen moeten honoreren. De gevolgen van de beslissing zijn onevenredig zwaar voor een kwetsbare gepensioneerde met dementie.

7. De grond slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.

7.1.

Het Gerecht stelt vast dat het geschil in de kern gaat over de vraag of de SVB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een deel van de aanspraak van eiser op het achterstallig AOV-pensioen en de kerstuitkeringen verjaard is. Het Gerecht beantwoordt die vraag bevestigend en legt dat hierna uit.

7.2.

De volgende wettelijke voorschriften zijn in deze zaak relevant.

Artikel 15 van de Lv AOV bepaalt dat de termijnen van het ouderdomspensioen, welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaar na de eerste dag waarop zij konden worden ingevorderd, niet meer worden uitbetaald.

Artikel 22b, derde lid, van de Lv AOV bepaalt dat het bedrag van de kerstuitkering, dat niet is ingevorderd binnen zes maanden na de eerste dag waarop het kon worden ingevorderd, niet meer wordt uitbetaald.

7.3.

Uit deze dwingendrechtelijk geformuleerde artikelen volgt dat de door eiser op 7 oktober 2024 ingevorderde AOV-termijnen van vóór november 2022 en kerstuitkeringen van 2021 tot en met 2023 niet meer worden uitbetaald. Het informeren van pensioengerechtigden over de sluiting van een bank is blijkens de wetstekst geen omstandigheid die een rol speelt bij de besluitvorming over invordering van AOV-termijnen en kerstuitkeringen. Het Gerecht is van oordeel dat de SVB de beslissing om een deel van het achterstallig AOV-pensioen en de kerstuitkeringen niet uit te betalen conform de geldende wettelijke bepalingen heeft genomen. Het betoog slaagt niet.

7.4.

Het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. De Lv AOV is een landsverordening. Volgens vaste rechtspraak, ook van het Hof, mag de rechter op grond van artikel 101 van de Staatsregeling landsverordeningen alleen toetsen aan klassieke grondrechten en dus (onder meer) niet aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Het staat de rechter wel vrij om in bepaalde (groepen van) gevallen een wetsbepaling buiten toepassing te laten op de grond dat toepassing van die bepaling in verband met daarin niet verdisconteerde omstandigheden in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven.

7.5.

Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd door de wetgever op grond waarvan de verjaringsartikelen van de Lv AOV in dit geval buiten toepassing hadden moeten blijven. De enkele stelling dat eiser een kwetsbare en demente oudere is, is daartoe onvoldoende. Verder heeft de gemachtigde van eiser, hoewel daartoe uitgenodigd ter zitting, geen verklaring kunnen geven waarom de zoon van eiser eerst in oktober 2024 de SVB een ander bankrekeningnummer heeft doorgegeven en om uitbetaling van het achterstallig pensioen van eiser heeft verzocht.

8. Eiser voert in beroep ook aan dat de SVB gehouden is tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van de niet uitbetaalde AOV- en kerstuitkeringen vermeerderd met de wettelijke rente. Volgens eiser moet de SVB ook wettelijke rente betalen over de wel uitgekeerde achterstallige bedragen.

9. Het Gerecht is onbevoegd om van dit betoog van eiser kennis te nemen. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

9.1

Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de bestuursrechter over schadevergoeding oordelen als sprake is van een voor beroep vatbaar schadebesluit. Een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die, naar gesteld, veroorzaakt is binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een publiekrechtelijke bevoegdheid, is een beschikking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Lar. Dit is het vereiste van materiële connexiteit. Verder geldt het vereiste van processuele connexiteit, dat inhoudt dat de bestuursrechter slechts bevoegd is kennis te nemen van een tegen een dergelijke beschikking ingesteld beroep indien de bestuursrechter ook bevoegd is te oordelen over de gestelde schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid.

9.2

Eiser heeft geen (beweerdelijk onrechtmatige) beschikking ten grondslag gelegd aan de door hem gestelde schade. Eiser stelt dat de schade is geleden, omdat de SVB eiser niet heeft geïnformeerd over de sluiting van de Girobank. Deze gestelde schadeoorzaak betreft geen beschikking, maar (het nalaten van) een feitelijke handeling. De vraag of deze feitelijke handeling op zichzelf onrechtmatig is jegens eiser, staat niet ter beoordeling aan de bestuursrechter. De beslissing van de SVB van 26 augustus 2025 voor zover daarbij het verzoek van eiser om schadevergoeding is afgewezen, mist (materiële) connexiteit met een beschikking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Lar. Daarom kan het Gerecht over dit deel van de bestreden beschikking geen oordeel geven. De burgerlijke rechter is bevoegd om over het verzoek tot schadevergoeding te oordelen.

Conclusie en gevolgen

10. De SVB heeft terecht beslist dat de aanspraak van eiser op het achterstallig AOV-pensioen en de kerstuitkeringen gedeeltelijk is verjaard. Het beroep tegen de bestreden beschikking, voor zover daarin de bezwaren van eiser ongegrond zijn verklaard, is ongegrond. Dat betekent dat de primaire beschikking van 3 december 2024 in stand blijft. De bestuursrechter is niet bevoegd om te oordelen over eisers verzoek om schadevergoeding, de civiele rechter heeft die bevoegdheid. De SVB hoeft geen proceskosten ter vergoeden.

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep van eiser tegen de bestreden beschikking, voor zover daarin eisers bezwaar ongegrond is verklaard, ongegrond;

- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep gericht tegen de afwijzing door de SVB van eisers verzoek om schadevergoeding.

Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, mr. J. Sybesma en

mr. M.A. Evertsz, leden, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (GHvJ) 6 mei 2026 ECLI:NL:OGHACMB:2026:86 Bijvoorbeeld GHvJ 29 juni 2022 ECLI:NL:OGHACMB:2022:64