Vreemdelingenrecht
De gronden van het beroep zijn in de thans bodemprocedure gericht tegen de inbewaringstelling en niet tegen…
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 25 maart 2019
ECLI:NL:OGEAM:2019:78 · Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten · 25 maart 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-sint-maarten/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/bodemzaak/ecli-nl-ogeam-2019-78
Zaakgegevens
Op 25 maart 2019 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Datum uitspraak
- 25 maart 2019
- Datum publicatie
- 27 augustus 2019
- Zaaknummer
- SXM201801021
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAM:2019:78
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De gronden van het beroep zijn in de thans bodemprocedure gericht tegen de inbewaringstelling en niet tegen de verwijdering, de ongewenst verklaring en het terugkeerverbod. Het Gerecht oordeelt dat eiser geen belang meer heeft bij deze procedure omdat de vreemdelingenbewaring inmiddels is opgeheven.
Uitspraak
Uitspraakdatum: 25 maart 2019 Zaaknummer: SXM201801021
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
(eiser),
voor heen gedetineerd in het Politiebureau te Philipsburg
domicilie kiezende ten kantore van Sulvaran & Peterson advocaten,
eiser,
gemachtigde: mr. S.R. Bommel,
tegen
MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.O. Muller.
1 Aanduiding bestreden beschikking
De beschikkingen van verweerder van 20 juni 2018 inhoudende een maatregel van bewaring en een verwijderingsbeschikking, waarbij eiser is aangemerkt als ongewenst vreemdeling en waarin is bevolen dat eiser met ingang van 20 juni 2018 in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst ter fine van verwijdering, en waarbij aan hem gedurende drie jaar de toegang tot Sint Maarten wordt ontzegd.
2 Het verloop van de procedure
Met een op 2 augustus 2018 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier een ingediend beroepschrift heeft eiser tegen voormelde beschikking beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).
Op 8 november 2018 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 maart 2019. Eiser is bij zijn gemachtigde voornoemd verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde voornoemd.
Uitspraak is bepaald op 15 april 2019.
3 De beoordeling
De volgende feiten staan vast.
-
Eiser is op 17 juni 2018 op de luchthaven van Sint Maarten, komende vanuit New York, aangehouden wegens de verdenking van het voorhanden hebben van valse reisdocumenten.
-
Op 20 juni 2018 heeft de rechter-commissaris de onmiddellijke (strafrechtelijke) invrijheidstelling van eiser bevolen. De Officier van Justitie heeft eiser vervolgens overgedragen aan de immigratiedienst. Eiser is in vreemdelingenbewaring geplaatst.
-
Eiser heeft geen geldige verblijfstitel op Sint Maarten.
-
Bij uitspraak van 10 augustus 2018 op het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, heeft het Gerecht de bewaring van eiser geschorst, zijn onmiddellijke invrijheidstelling geboden en verweerder bevolen zich te onthouden van enige maatregel gericht op bewaring tot zes weken nadat op het beroep is beslist. Het Gerecht heeft in deze uitspraak voorts overwogen dat de bewaring tot op het moment van de uitspraak, rechtmatig was.
Standpunten van partijen
Eiser stelt dat verweerder hem te gemakkelijk in vreemdelingenbewaring heeft gesteld. Het kan immers, zo stelt eiser, niet worden gezegd dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, althans dat heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd. Eiser wijst er voorts op dat eiser niet is uitgezet, maar dat hij zelfstandig is vertrokken.
Verweerder stelt in de eerste plaats dat eiser geen belang meer heeft bij dit beroep, omdat de vreemdelingenbewaring inmiddels is opgeheven. Onder verwijzing naar hetgeen in de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is overwogen, stelt verweerder dat ook de beslissing om eiser uit Sint Maarten te verwijderen, in stand dient te blijven. Verweerder wijst in dat verband nog op een bericht van de Franse vreemdelingenpolitie waar uit blijkt dat eiser werd aangehouden op het vliegveld van Grand Case op het Franse deel van het eiland, toen hij met een vals Grieks paspoort wilde uitreizen.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Eiser heeft in zijn beroepschrift slechts gronden aangevoerd tegen zijn inbewaringstelling en de duur daarvan. Tegen de overige elementen van het bestreden besluit (de verwijdering, de ongewenst verklaring en het terugkeerverbod) heeft eiser geen gronden aangevoerd. Met verweerder oordeelt het Gerecht dat eiser geen belang meer heeft bij een oordeel over de (duur van de) vreemdelingenbewaring nu hij zich niet meer in vreemdelingenbewaring bevindt. Eiser heeft in beroep niet aangevoerd waarom hij desondanks nog belang zou hebben bij een oordeel hierover. De vraag of hij zelfstandig is vertrokken dan wel is uitgezet, is voor een oordeel over de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring niet relevant.
Het voorgaande betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen grond.
4 De beslissing
Het Gerecht:
verklaart het beroep niet- ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 25 maart 2019.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.