Belastingrecht
Na verwijzing door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1199) bereiken partijen bij het Hof een compromis
ECLI:NL:GHAMS:2019:1262 · Gerechtshof Amsterdam · 12 maart 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2019-1262
Zaakgegevens
Op 12 maart 2019 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 maart 2019
- Datum publicatie
- 11 april 2019
- Zaaknummer
- 18/00529
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1262
Samenvatting
Na verwijzing door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1199) bereiken partijen bij het Hof een compromis
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 februari 2018
ECLI:NL:PHR:2018:160Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 mei 2018
ECLI:NL:PHR:2018:493Hoge Raad · 13 juli 2018
ECLI:NL:HR:2018:1199Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Gerechtshof Amsterdam · 12 maart 2019deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2019:1262
Uitspraak
Inhoudsopgave
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 18/00529
12 maart 2019
tweede meervoudige belastingkamer
proces-verbaal
van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van
[X] te [Z], belanghebbende,
(gemachtigde mr. H.J.J. Oostdam te Alphen aan den Rijn)
tegen
de uitspraak van 11 november 2014 in de zaak met kenmerk SGR 14/3490 van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2019. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde voornoemd. Namens de inspecteur zijn verschenen
mrs. J.J.M. Snieders en M.L. Scholte.
Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 193.814 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.105, met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente;
- handhaaft de beschikking revisierente;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.304; en
- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 45 (beroep bij de rechtbank) en € 122 (hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag), in totaal € 167 te vergoeden.
Gronden
1. Bij arrest van 13 juli 2018, nr. 17/00697 (ECLI:NL:HR:2018:1199) heeft de Hoge Raad de zaak naar het Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest (hierna: het verwijzingsarrest).
2. Na verwijzing staat – anders dan partijen aanvankelijk meenden – de beslissing van de Hoge Raad om de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie niet ter beoordeling van het Hof. Het Hof kan in de onderhavige verwijzingsprocedure evenmin oordelen over de bij beschikking in rekening gebrachte revisierente, aangezien deze beschikking inmiddels (na de procedure in cassatie) onherroepelijk vaststaat (zie r.o. 2.5 van het verwijzingsarrest).
3. Na verwijzing zijn partijen het erover eens geworden dat de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen dient te worden verminderd, zoals hiervoor is beslist. Om die reden is het beroep gegrond verklaard.
4. Bij die stand van zaken twisten partijen over de hoogte van de aan belanghebbende te vergoeden kosten ter zake van door een derde verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Partijen hebben dienaangaande ter zitting (met inachtneming van de bijlage bij het Besluit) overeenstemming bereikt over de per fase in aanmerking te nemen proceshandelingen en wegingsfactor, en wel als volgt:
Beroep:
2 punten (indienen beroepschrift [1] en verschijnen ter zitting [1]) x € 512 x 1,5 = € 1.536
Hoger beroep (gerechtshof Den Haag):
3,5 punten (indienen hoger beroepschrift [1], verschijnen ter zitting [1], tweemaal schriftelijke inlichtingen [1 punt in totaal] en nadere zitting [0,5]) x € 512 x 1,5 = € 2.688
Hoger beroep na verwijzing:
1,5 punt (schriftelijke inlichtingen [0,5] en verschijnen ter zitting [1]) x € 512 x 0,5 = € 384
Het totaal aan te vergoeden kosten bedraagt € 4.608. Omdat deze zaak samenhangt met de zaak met nummer 18/00530 – daar zijn partijen het ook over eens – bedragen de aan belanghebbende te vergoeden kosten € 2.304 (€ 4.608/2).
De mondelinge uitspraak is gedaan op 12 maart 2016 door mrs. H.E. Kostense, voorzitter van de belastingkamer, F.J.P.M. Haas en C.J. Hummel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.
De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.