Belastingrecht
Wraking; Belastingrecht; art. 8:15 AWB; kennelijk niet-ontvankelijk; in het verzoekschrift zijn niet de…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2260 · Gerechtshof Amsterdam · 24 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/bestuursrecht/belastingrecht/wraking/ecli-nl-ghams-2026-2260
Zaakgegevens
Op 24 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- 200.372.046-01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2260
Samenvatting
Wraking; Belastingrecht; art. 8:15 AWB; kennelijk niet-ontvankelijk; in het verzoekschrift zijn niet de gronden voor wraking vermeld. Voorzover het verzoek is gebaseerd op de beslissing van de gewraakte raadsheren om geen uitstel te verlenen voor de geplande zitting, geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen daaraan in de weg staat.
Uitspraak
Inhoudsopgave
GeRechtshof Amsterdam
Zaaknummer: 200.372.046-01
zaaknummers hoofdzaken: BK-AMS 25/116 t/m 25/117, BK-AMS 25/63, BK-AMS 25/70 en BK-AMS 25/104
Beslissing van de wrakingskamer van 24 juli 2026
op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
bijgestaan door gemachtigde mr. D.A.N. Bartels te Utrecht.
hierna: verzoeker
[verzoeker 2] B.V.,
gevestigd te onbekend,
bijgestaan door gemachtigde mr. D.A.N. Bartels te Utrecht.
hierna: verzoeker
[verzoeker 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
bijgestaan door gemachtigde mr. D.A.N. Bartels te Utrecht.
hierna: verzoeker
1 De procedure
De hoofdzaken betreffen het hoger beroep van verzoekers tegen de uitspraken van de rechtbank over opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting en WOZ-beschikkingen
Verzoekers zijn op 12 mei 2026 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de hoger beroepen op 22 juli 2026.
In een bericht, in deze zaken digitaal ingediend op zondag 12 juli 2026, heeft de gemachtigde het hof verzocht om de geplande zittingen niet door te laten gaan om de reden dat de gemachtigde geen toegang heeft tot de rechtbankdossiers.
Op maandagavond 13 juli 2026 heeft de gemachtigde in alle hoger beroepen een “nader stuk tevens pleitnota” ingediend.
Op dinsdag 14 juli 2026 heeft de zetel, via de griffie, het uitstelverzoek afgewezen onder verwijzing naar de met verzoeker gemaakte afspraken over digitaal procederen.
De gemachtigde heeft bij op 21 juli 2026 om 16.32 uur ingekomen e-mail de wraking verzocht van de raadsheren mr. M.J. Leijdekker, mr. M. Ferrier en mr. E.A.M. Huiskers-Stoop (hierna: de raadsheren).
De raadsheren hebben op 23 juli 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.
2 Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover
In het schriftelijke verzoek is door de gemachtigde toegelicht dat hij zich gedwongen voelt om de raadsheren te wraken omdat hij geen digitale toegang heeft noch krijgt tot de achterliggende rechtbankdossiers, waarin de achterliggende taxatierapporten zijn opgenomen. De gemachtigde stelt sinds 7 april 2026 bezig te zijn om toegang te krijgen tot het Digitaal Systeem bij de rechtbanken Amsterdam en Noord-Holland. De laatste pogingen op 20 en 21 juli 2026 werden geweigerd. Dit klemt temeer omdat ook het verzoek tot uitstel werd afgewezen.
De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten.
Zij hebben toegelicht dat met de gemachtigde, die te kennen had gegeven digitaal te willen procederen en die in een zeer groot aantal zaken en bij alle Nederlandse gerechten procedeert, gerechtsoverstijgende afspraken zijn gemaakt over begeleiding en een gefaseerde overstap naar digitaal procederen. Deze afspraken zijn door een aantal vertegenwoordigers gemaakt namens IVO rechtspraak, alle gerechtshoven en alle rechtbanken. Onderdeel van de afspraken is dat aan de gemachtigde geen digitale toegang wordt verleend in reeds afgesloten dossiers. Aldus bieden de elf rechtbanken en de vier gerechtshoven gemachtigde in een hoger beroepsprocedure niet alsnog digitale toegang tot (geheel) op papier gevoerde rechtbankdossiers.
Volgens de raadsheren zijn in het verzoekschrift geen feiten opgenomen waaruit de rechterlijke onpartijdigheid van de raadsheren zou kunnen blijken, zodat het niet voor behandeling als wrakingsverzoek kan worden aangemerkt. Voorts menen zij dat het te laat is ingediend, omdat de gemachtigde al sinds 7 april 2026 weet dat de rechtbankdossiers niet digitaal beschikbaar zijn. En tot slot betreft het hier processuele beslissingen, die geen grond voor wraking kunnen opleveren.
3 De beoordeling
Juridisch kader
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt in dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Beoordeling in deze zaak
Blijkens de toelichting is de wraking van de raadsheren gebaseerd op het feit dat de rechtbanken de gemachtigde digitale toegang tot de rechtbankdossiers weigeren. Uit deze toelichting volgt niet waarom deze omstandigheid grond zou opleveren voor de objectieve vrees dat de raadsheren partijdig zouden zijn jegens de verzoekers die de gemachtigde bijstaat. Het verzoekschrift voldoet in dat opzicht niet aan het voorschrift dat daarin de gronden voor wraking moeten zijn vermeld. Verzoekers kunnen daarom niet in dit wrakingsverzoek worden ontvangen.
Voorzover de wraking zo moet worden begrepen dat deze gegrond is op de beslissing van de raadsheren om geen uitstel te verlenen voor de geplande zitting van 22 juli 2026 geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen daaraan in de weg staat. Dit gesloten stelsel brengt mee dat een rechterlijke (proces)beslissing geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer beoordeelt dus niet de juistheid van die beslissing. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, ook voor zover het is gebaseerd op de aanhoudingsbeslissing niet toewijsbaar is.
Op grond van het voorgaande kunnen verzoekers niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Er is dus geen reden om het verzoek op een zitting te behandelen.
4 De beslissing
De wrakingskamer verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.F. Aalders, mr. S. Jongeling en mr. I. de Greef, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.