Belastingrecht
Wraking. In het algemeen geldt dat het optreden van een rechter in een eerdere procedure geen grond is voor…
Rechtbank Den Haag, 12 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23129 · Rechtbank Den Haag · 12 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/wraking/ecli-nl-rbdha-2026-23129
Zaakgegevens
Op 12 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/710371 / KG RK 26-1162
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23129
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wraking. In het algemeen geldt dat het optreden van een rechter in een eerdere procedure geen grond is voor wraking in een nieuwe procedure. Dat de rechter in een eerdere procedure waarbij verzoekers betrokken waren geen rekening zou hebben gehouden met een bepaalde gebeurtenis is, zonder een nadere onderbouwing, die ontbreekt, dan ook niet voldoende om te kunnen concluderen dat in de hoofdzaak sprake is van vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Daarom is het wrakingsverzoek voor zover op deze grond gebaseerd niet toewijsbaar. Verder zijn er door de gemachtigde van verzoekers in de huidige procedure geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die naar het oordeel van de wrakingskamer een grond opleveren voor een gegronde wraking.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/52
zaak- /rekestnummer: C/09/710371 / KG RK 26-1162
Beslissing van 12 augustus 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekers] ,
hierna te noemen: verzoekers,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
strekkende tot de wraking van
mr. E. Kouwenhoven,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1 Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 25/7985 tussen verzoekers en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (hierna: de hoofdzaak).
De gemachtigde van verzoekers heeft op 28 juli 2026 tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak een mondeling wrakingsverzoek gedaan. Hij heeft blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling aan het wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd:
“Als reden geeft hij aan dat de rechter niet geschikt is voor dit bedrijf (bij een eerdere zaak geen rekening gehouden met het overlijden van de moeder van de gemachtigde) en dat de rechter vooringenomen is haar stellingname over het antwoordnummer.”
2 De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Naar de wrakingskamer begrijpt vinden verzoekers de rechter onder meer vooringenomen omdat zij bij een eerdere zaak geen rekening heeft gehouden met het overlijden van de moeder van de gemachtigde van verzoekers.
In het algemeen geldt dat het optreden van een rechter in een eerdere procedure geen grond is voor wraking in een nieuwe procedure. Dat de rechter in een eerdere procedure geen rekening zou hebben gehouden met het overlijden van de moeder van de gemachtigde van verzoekers is, gelet op het voorgaande zonder een nadere onderbouwing, die ontbreekt, dan ook niet voldoende om te kunnen concluderen dat in de hoofdzaak sprake is van vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Daarom is het wrakingsverzoek voor zover op deze grond gebaseerd niet toewijsbaar.
Verder zijn er door de gemachtigde van verzoekers in de huidige procedure geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die naar het oordeel van de wrakingskamer een grond opleveren voor een gegronde wraking. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de rechter heeft aangegeven dat het beroepschrift is verzonden naar een antwoordnummer van de rechtbank wat daarvoor niet is bedoeld en verder dat het beroepschrift door de rechtbank is ontvangen op 6 november 2025. Verzoeker heeft niet onderbouwd hoe uit deze mededeling van de rechter haar vooringenomenheid of de zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor is af te leiden. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer dit zelf zou kunnen afleiden ontbreken. Daarom wordt het wrakingsverzoek ook voor zover het op deze grond is gebaseerd, afgewezen.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
3 De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoekers p/a hun gemachtigde [gemachtigde] ;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M.A. Keulen, E.E. Schotte en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.