Civiel recht overig
Eindarrest. Appellant werkte bij een bouwbedrijf als timmerman. Op 3 februari 2012 heeft op de werkplaats een…
Gerechtshof Amsterdam, 27 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:3033 · Gerechtshof Amsterdam · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-3033
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.315.305
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.P.M. Riep te 's-Hertogenbosch, mr. H. van Katwijk te Ermelo
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:3033
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eindarrest. Appellant werkte bij een bouwbedrijf als timmerman. Op 3 februari 2012 heeft op de werkplaats een ongeval plaatsgevonden waarbij appellant is aangereden. Hij stelt dat hij als gevolg hiervan lijdt aan ernstige lichamelijke klachten en houdt het bouwbedrijf aansprakelijk voor de schade. Het hof heeft aan een deskundige nadere vragen gesteld die zien op het causale verband tussen het ongeval en de gestelde schade. In dit eindarrest komt het hof anders dan de kantonrechter tot de conclusie dat het bedrijfsongeval een van de oorzaken is van het ontstaan en het verdere beloop van de lichamelijke klachten. Het bouwbedrijf is aansprakelijk voor de door appellant geleden schade. De omvang van de schade zal - als partijen er niet in onderling overleg uitkomen - in een schadestaatprocedure vastgesteld moeten worden
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.315.305/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 8469422/CV EXPL 20-7516
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 oktober 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. M.P.M. Riep te 's-Hertogenbosch,
tegen
1. NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., als zijnde rechtsopvolger van VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
2. [geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. H. van Katwijk te Ermelo.
Partijen worden hierna [appellant] , NN en [geïntimeerde] genoemd. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk NN c.s. (in mannelijk enkelvoud) genoemd.
1 Inleiding
[appellant] werkte bij [geïntimeerde] als timmerman. Op 3 februari 2012 heeft op de werkplaats een ongeval plaatsgevonden waarbij [appellant] is aangereden. [appellant] stelt dat hij als gevolg hiervan lijdt aan ernstige lichamelijke klachten en houdt [geïntimeerde] aansprakelijk voor de schade. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat de klachten (deels) een gevolg zijn van het bedrijfsongeval. Het hof heeft in een eerste tussenarrest geoordeeld dat een nader medisch deskundigenbericht nodig is ter verdere beoordeling van de vordering. In een tweede tussenarrest heeft het hof aan de deskundige nadere vragen gesteld die zien op het causale verband tussen het ongeval en de gestelde schade. In dit eindarrest komt het hof anders dan de kantonrechter tot de conclusie dat het bedrijfsongeval een van de oorzaken is van het ontstaan en het verdere beloop van de lichamelijke klachten. De gevraagde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade wijst het hof daarom toe. Het debat over de hoogte van de schade is nog onvoldoende gevoerd. De omvang van de schade zal - als partijen er niet in onderling overleg uitkomen - in een schadestaatprocedure vastgesteld moeten worden.
2 Het verdere procesverloop
Op 22 juli 2025 heeft het hof in deze zaak een tweede tussenarrest gewezen (hierna: het tweede tussenarrest).
Daarna zijn de volgende stukken ingediend:
- het deskundigenbericht;
- de memorie uitlaten na deskundigenbericht zijdens [appellant] ;
- de memorie uitlaten na deskundigenbericht zijdens NN c.s.;
- de antwoordmemorie uitlaten na deskundigenbericht zijdens [appellant] ;
- de antwoordmemorie uitlaten na deskundigenbericht zijdens NN c.s.
3 Het geding in hoger beroep
In het tweede tussenarrest heeft het hof bepaald dat nadere vragen zullen worden gesteld aan een deskundige. Die vragen hebben betrekking op het causaal verband tussen het bedrijfsongeval van [appellant] en zijn klachten. Prof. dr. [naam] (hierna: de deskundige) is benoemd tot deskundige.
[appellant] betoogt als volgt. Uit het aanvullende deskundigenonderzoek volgt dat zijn schade multifactorieel is. De deskundige acht de mate van bijdrage van het bedrijfsongeval aan de schade klein (3 op een schaal van 1 tot en met 8). Hierbij acht de deskundige van belang dat [appellant] direct na het bedrijfsongeval een aantal dagen ziek is geweest. Vertaald in percentages heeft het bedrijfsongeval voor 25% tot en met 37,5% bijgedragen aan de schade. De mate van bijdrage op basis van degeneratieve redenen is volgens de deskundige (7) ‘zeer groot’, en dus niet (8) ‘cruciaal’ wat zou inhouden dat de gevolgen zonder deze factor vrijwel nooit ontstaan. Uit de conclusie van de deskundige dat het bedrijfsongeval niet de hoofdzakelijke factor is, volgt niet dat in de eerste week na het bedrijfsongeval geen sprake is van een (acute) verslechtering. Het deskundigenonderzoek laat zien dat de huidige pijnklachten tevens het gevolg zijn van het bedrijfsongeval en niet enkel degeneratief van aard zijn.
NN c.s. voert het volgende aan. De deskundige concludeert dat de klachten niet acuut zijn verslechterd na en als gevolg van het ongeval. Daarbij neemt de deskundige in aanmerking dat [appellant] direct na het bedrijfsongeval slechts zeven dagen ziek is geweest. [appellant] heeft vervolgens gedurende vijftien maanden zijn werk hervat met substantiële overuren. Daarnaast heeft [appellant] in de eerste zestien maanden na het ongeval aan zijn behandelaars geen melding gemaakt van het bedrijfsongeval en is hij pas zestien maanden na het ongeval voor het eerst verwezen naar een specialist. Het tijdsverloop tussen het bedrijfsongeval en de eerste ziekmelding wegens nekklachten is dus vijftien maanden en daarmee aanzienlijk. Verder kan de cervicale myelopathie volledig worden verklaard door degeneratieve veranderingen als alternatieve oorzaak, zoals volgt uit de uitgebreide medische voorgeschiedenis van [appellant] . De deskundige kwalificeert de bijdrage van degeneratieve veranderingen als zeer groot en de bijdrage van het ongeval als klein. Dit oordeel sluit volgens NN c.s. naadloos aan op het eerdere rapport van de deskundige waarin staat dat indien geen sprake is van een acute verslechtering, het voorval geen aannemelijke oorzaak is voor de cervicale myelopathie en deze bovenal van degeneratieve aard is. De door [appellant] zelfbedachte procentuele percentages van 25% tot 37,5% vinden geen grondslag in het deskundigenonderzoek en zijn speculatief.
Het hof overweegt als volgt. Voor vaststelling van de grondslag voor aansprakelijkheid is vereist dat het bedrijfsongeval conditio sine qua non is voor de schade, dat wil zeggen dat de schade zonder het bedrijfsongeval niet zou zijn ingetreden. Niet is vereist dat het bedrijfsongeval de gehele schade zelfstandig heeft of kan hebben veroorzaakt. Voldoende is dat het bedrijfsongeval dat in samenwerking met andere oorzaken heeft gedaan. In de kern gaat het dus om de vraag of het ontstaan en het verdere beloop van de cervicale myelopathie bij [appellant] zich ook zou hebben voorgedaan als het bedrijfsongeval achterwege zou zijn gebleven.
In de rechtsoverwegingen 6.16. tot en met 6.21. van het tussenarrest van 29 oktober 2024 (hierna: het eerste tussenarrest) heeft het hof overwogen dat het nader geïnformeerd wilde worden over een aantal punten, hetgeen in het aanvullende rapportage van de deskundige is gebeurd. Hieruit volgt onder meer dat het ontstaan van de cervicale myelopathie multifactorieel is. Trauma speelt hierbij in het algemeen een belangrijke rol waarbij de mate van bijdrage van trauma mede afhankelijk is van het tijdsverloop tussen het trauma en de pijnklachten. In dit kader schrijft de deskundige onder meer:
“Algemeen kan men stellen dat hoe langer het duurt voordat symptomen of een verergering van eerdere klachten na een trauma optreden hoe geringer de invloed van dat trauma daarop is geweest.
In verreweg de meeste gevallen laten pathofysiologische studies zien dat een cervicale myelopathie ontstaat als gevolg van langzaam progressieve degeneratieve veranderingen in de wervelkolom samen met een optelsom van zeer vele kleine traumata gedurende het leven (…), die ieder op zich niet direct klachten hebben gegeven en dan ook niet gedocumenteerd zijn. De degeneratieve veranderingen zijn vaak al eerder op de beeldvorming te zien dan dat er daadwerkelijk klachten optreden, dit is ook bij betrokkene het geval. Een trauma kan ook een degeneratieve afwijking juist symptomatisch maken of het proces van degeneratie versnellen, zoals dat bijvoorbeeld ook gezien wordt bij het beeld van een “crowned dens” dat ontstaat door afzetting van calciumpyrofosfaatdihydraat kristallen in de ligamenten rond de dens van de tweede nekwervel.
De mate waarin deze factoren in een individueel geval hebben bijgedragen aan het uiteindelijk symptomatisch worden van de cervicale myelopathie is niet goed getalsmatig uit te drukken. Men kan wel proberen de bijdrage een factor op de aandoening op semi-kwantitatieve wijze weer te geven, in de graderingen cruciaal (=zonder deze factor ontstaat het vrijwel nooit), zeer groot, groot, enigszins, klein, zeer klein, verwaarloosbaar (=deze factor speelt vrijwel geen rol).
In dit geval zie ik de bijdrage van degeneratieve veranderingen aan het ontstaan en beloop van de cervicale myelopathie als zeer groot, de bijdrage van het ongeval van 3 februari 2012 als klein.”
Naar aanleiding van een reactie op het conceptrapport zijdens [appellant] heeft de deskundige de mate van bijdrage van beide factoren als volgt nader toegelicht:
“Mede op basis van de eerste ziekteperiode van 6 t/m 13 februari 2012 en het ongevalsrapport en dit afgezet tegen de nadien toch lange periode waarin betrokkene zijn werkzaamheden nog wel heeft kunnen verrichten, heb ik de mate waarin het ongeval heeft bijgedragen zeker al meegewogen, anders zou de bijdrage van het ongeval eerder tussen “verwaarloosbaar” of “zeer klein” zijn ingeschat.”
De deskundige heeft verder een nadere toelichting gegeven hoe acute verslechtering moet worden begrepen waarover zijn eerdere rapport (zie rechtsoverweging 3.24. van het eerste tussenarrest) spreekt, en dat het hierbij gaat om welke van de factoren die hebben bijgedragen aan het ontstaan en het verdere beloop van de cervicale myelopathie de grootste, hoofdzakelijke rol heeft gespeeld.
Het hof is van oordeel dat mede door het aanvullende deskundigenonderzoek duidelijk is geworden dat het bedrijfsongeval een van de twee oorzaken is van het ontstaan en het verdere beloop van de cervicale myelopathie. De deskundige heeft in deze aanvullende rapportage geconcludeerd dat de bijdrage van het ongeval aan deze schade als ‘klein’ moet worden beschouwd en de bijdrage van de degeneratieve veranderingen als ‘zeer groot’. Hierbij heeft de deskundige allereerst in aanmerking genomen de ziekteperiode direct na het ongeval, alsmede het ongevalsrapport waarin bij de beschrijving van de verwonding/het letsel zijn aangekruist als plaats van het letsel “Hoofd” en “Romp/rug”, en als soort letsel “Kneuzing/verstuiking” (zie rechtsoverweging 3.9. van het eerste tussenarrest). Vervolgens heeft de deskundige deze omstandigheden afgezet tegen de periode tot aan 24 mei 2013 waarin [appellant] zijn werkzaamheden nog heeft kunnen verrichten. Eveneens heeft de deskundige de medische voorgeschiedenis bij zijn onderzoek betrokken (zie onder andere pagina’s 6 en 7 van het aanvullende deskundigenbericht) en het feit dat [appellant] al nekklachten had ten tijde van het ongeval (zie onder andere de beantwoording van vraag 3 in het aanvullende deskundigenbericht).
Aan de inhoud van de beide rapporten van de deskundige en hetgeen overigens in dit geding is gebleken, waaronder de toedracht van het ongeval (zie rechtsoverweging 6.11. van het eerste tussenarrest), verbindt het hof de gevolgtrekking dat het bedrijfsongeval van [appellant] een van de oorzaken is van het ontstaan en het verdere beloop van de cervicale myelopathie. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat het bedrijfsongeval in het hiervoor benoemde rechtens relevante conditio sine qua non verband staat met zijn gestelde schade en is de grondslag van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] gegeven.
Bij deze stand van zaken behoeft de door [appellant] aangevoerde subsidiaire grondslag die betrekking heeft op proportionele aansprakelijkheid geen behandeling, omdat van causaliteitsonzekerheid geen sprake is.
Op grond van het voorgaande slagen grief III en grief IV die zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat zijn schade een gevolg is van het bedrijfsongeval. Eveneens slaagt de daarop voortbouwende grief V, die is gericht tegen de proceskostenveroordeling van [appellant] in eerste aanleg en het dictum van het bestreden vonnis waarin zijn vorderingen zijn afgewezen.
In deze procedure staat vast dat [geïntimeerde] aansprakelijkheid heeft erkend voor de schade als gevolg van het bedrijfsongeval. Op grond van het voorgaande ligt de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het bedrijfsongeval, voor toewijzing gereed.
Het hof is van oordeel dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden voldoende aannemelijk is, gelet op het vaststaande feit dat bij [appellant] een cervicale myelopathie is ontstaan. Het is evenwel niet mogelijk enige eindbeslissing te geven over de omvang van de schade. Het debat hierover is nog onvoldoende gevoerd, aangezien de schadevordering tussen partijen nog nauwelijks onderwerp van debat is geweest. Dit debat zal ten aanzien van de gevorderde schadeposten nader moeten worden gevoerd mede met inachtneming van het aanvullende deskundigenonderzoek en de daarin geconcludeerde mate van bijdrage van de factoren die de schade hebben doen ontstaan. Dat geldt naar het oordeel van het hof ook voor de vraag naar de redelijke toerekening van schade volgens art. 6:98 BW. Het betoog van partijen dat hierop betrekking heeft is in dit arrest buiten beschouwing gelaten, gelet op de verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Het hof acht het gelet op het voorgaande noodzakelijk de vordering tot schadevergoeding van [appellant] in zijn geheel te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Een verwijzing naar de schadestaatprocedure is overigens ook hetgeen bij deze stand van zaken de voorkeur heeft van [appellant] . Nog beter zou het zijn als partijen erin slagen – eventueel met behulp van een mediator – het onderling eens te worden over de omvang van de schade en zodoende een schadestaatprocedure voorkomen.
Slotsom en kosten
De slotsom is dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. De gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het bedrijfsongeval, zal worden toegewezen. NN c.s. zal worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. Het hof ziet geen grond de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, waartegen NN c.s. verweer heeft gevoerd, toe te wijzen, omdat [appellant] onvoldoende heeft gesteld dat redelijke kosten zijn gemaakt voor voldoende concreet gemaakte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, naast de verrichtingen waarop de proceskostenveroordeling betrekking heeft. NN c.s. is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het geding in beide instanties. Dat geldt in het bijzonder ook voor de onder de kosten in hoger beroep vallende deskundigenkosten die worden begroot op € 3.822,09,-- (inclusief btw) waarvan NN c.s. al € 2.250,00 heeft voldaan. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- deskundigenkosten € 1.572,09
- griffierecht € 1.780,00
- salaris advocaat € 19.666,50 (tarief VII, 3,5 punten)
Totaal € 23.018,59
4 Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:
wijst toe de verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het bedrijfsongeval van 3 februari 2012;
veroordeelt NN c.s. om aan [appellant] de door hem als gevolg van het bedrijfsongeval van 3 februari 2012 geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat;
veroordeelt NN c.s. in de proceskosten in beide instanties. De kosten voor de eerste aanleg worden tot nu vastgesteld op € 996,00. De kosten voor het hoger beroep worden tot nu vastgesteld op € 23.018,59, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, mr. E.M. de Stigter en mr. P.A.M. Jongens-Lokin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.