Insolventierecht
Verhaalsmogelijkheden van crediteuren zijn door hoofdelijke aansprakelijkheid van ex-echtgenote en vroegere…
Gerechtshof Amsterdam, 9 maart 1999
ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9546 · Gerechtshof Amsterdam · 9 maart 1999
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-1999-ae9546
Zaakgegevens
Op 9 maart 1999 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 maart 1999
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 108/99
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9546
Samenvatting
Verhaalsmogelijkheden van crediteuren zijn door hoofdelijke aansprakelijkheid van ex-echtgenote en vroegere mede-firmant niet verminderd na toescheiding van de schulden aan verzoeker.
Procesgang
Rechtbank Utrecht · 2 februari 1999
ECLI:NL:RBUTR:1999:AF0441Gerechtshof Amsterdam · 9 maart 1999deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9546
Uitspraak
Gerechtshof te Amsterdam
Tweede meervoudige burgerlijke kamer
Arrest
in de zaak onder rekestnummer 108/99 van:
X., wonende te P.,
APPELLANT,
procureur: mr. A.S. Rueb.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellant is bij op 9 februari 1999 ter griffie van het hof ingekomen rekest in hoger beroep gekomen van een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 2 februari 1999 (rekestnummer 96450/FT RK 99.41) waarbij het verzoek van appellant tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzittingen van het hof van 23 februari 1999 en 5 maart 1999. Alstoen zijn telkens verschenen appellant en zijn raadsvrouw mr. H.G. de Koning, advocaat te Utrecht.
2. Beoordeling
2.1. Gelet op de financiële situatie van appellant, als blijkend uit de door appellant overgelegde bescheiden, is redelijkerwijze te voorzien dat appellant niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, zodat grond aanwezig is voor toepassing van de schuldsaneringsregeling, tenzij, zoals de rechtbank heeft overwogen, aannemelijk is dat appellant ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van die schulden niet te goeder trouw is geweest.
2.2. De rechtbank heeft het laatste aangenomen op grond dat appellant bij de verdeling van zowel het huwelijksvermogen na echtscheiding als het, vennootschappelijk vermogen na ontbinding van de vennootschap onder firma met Y. alle schulden aan zich heeft laten toedelen.
2.3. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellant is gegrond. De ex-echtgenote van appellant en zijn vroegere mede-firmant Y. blijven immers tegenover de schuldeisers voor het geheel van de huwelijksschulden respectievelijk schulden van de firma aansprakelijk. Niet gezegd kan worden dat door bedoelde toescheiding van de schulden de verhaalsmogelijkheden voor crediteuren zijn verminderd.
2.4. De reden waarom appellant zich alle schulden heeft laten toescheiden, voorzover van belang, is door hem in hoger beroep voldoende toegelicht. Verwezen wordt naar hetgeen in punt 2 van het appelschrift is aangevoerd, zoals dit ter terechtzitting van het hof, mede aan de hand van de door appellant overgelegde kopieën van de desbetreffende akten van scheiding en deling, nader is geadstrueerd., Daarbij wordt tevens nog overwogen dat bij de verdeling van het huwelijksvermogen de door de vrouw aangegane huwelijksschulden -uitsluitend - aan haar zijn toegedeeld.
2.5. Het voorgaande leidt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en - alsnog - toewijzing van het verzoek.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
verklaart alsnog van toepassing de wettelijke schuldsaneringsregeling voor X. voornoemd;
verwijst de zaak naar de arrondissementsrechtbank te Utrecht om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.
Dit arrest is gewezen door mrs. Ter Haar, Bockwinkel, en Splinter-Van Kan en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 1999.