Insolventierecht

Overdracht onderneming vóór toelating tot schuldsaneringsregeling is geen benadeling schuldeisers.

Gerechtshof Amsterdam, 16 april 1999

Zaakgegevens

Op 16 april 1999 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16 april 1999
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
261/99
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9556
E-mail

Samenvatting

Overdracht onderneming vóór toelating tot schuldsaneringsregeling is geen benadeling schuldeisers.

Procesgang

  1. Rechtbank Alkmaar · 18 maart 1999

    ECLI:NL:RBALK:1999:AF0033
  2. Gerechtshof Amsterdam · 16 april 1999deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9556

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Tweede meervoudige burgerlijke kamer

Arrest van 16 april 1999

in de zaak onder rekestnummer 261/99 van:

X.,

wonende te P.

APPELLANT,

procureur: mr R.J.A.M. Sträter.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant is bij op 25 maart 1999 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van een beslissing van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 18 maart 1999 onder rekestnummer 99.10 R, waarbij het verzoek van appellant tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2 Het verzoek is behandeld ter zitting van het hof op 16 april 1999. Verschenen is appellant bijgestaan door mr B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem.

2. De gronden van de beslissing

2.1. Op grond van de inhoud van de schriftelijke stukken en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, wordt het volgende overwogen.

2.2. Gelet op de financiële situatie van appellant, als blijkend uit de door appellant overgelegde bescheiden, is redelijkerwijze te voorzien dat appellant niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, zodat grond aanwezig is voor toepassing van schuldsaneringsregeling, tenzij, zoals de rechtbank heeft overwogen, aannemelijk is dat appellant ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van die schulden niet te goeder trouw is geweest.

2.3. De rechtbank heeft het laatste aangenomen op grond dat appellant zijn eenmanszaak heeft overgedragen waardoor de schuldeisers de mogelijkheid zou zijn ontnomen hun vorderingen te verhalen op de activa van de onderneming. Met name de fiscus zou door de overdracht zijn benadeeld.

2.4. Het hiertegen gerichte bezwaar is gegrond. Door appellant is bij de behandeling in hoger beroep toegelicht dat de verkoop van de onderneming is gegaan in overleg met de fiscus en de RABO-bank. De koopsom is mede vastgesteld op basis van een taxatie. Dit geld is aan de RABO-bank als pandhouder uitbetaald. Tevens is in het kader van een regeling met de belastingdienst de schuld van appellant aan de fiscus nagenoeg geheel voldaan.

2.5. Het voorgaande leidt tot vernietiging van de beslissing waarvan beroep en -alsnog- toewijzing van het verzoek.

3. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

verklaart alsnog van toepassing de wettelijke schuldsaneringsregeling voor X. voornoemd;

verwijst de zaak naar de arrondissementsrechtbank te Alkmaar om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.

Gewezen door mrs Ter Haar, Bockwinkel en Salomons en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 16 april 1999 in tegenwoordigheid van mr Donner als griffier

.