Insolventierecht
Faillissement. Partijen verwikkelt in een echtscheidingsprocedure. Niet valt uit te sluiten dat er recht…
Gerechtshof Amsterdam, 1 juni 2010
ECLI:NL:GHAMS:2010:BO0036 · Gerechtshof Amsterdam · 1 juni 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2010-bo0036
Zaakgegevens
Op 1 juni 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 juni 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200.063.412-01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H Loonstein te Amsterdam, mr. G.M. Haring te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2010:BO0036
Samenvatting
Faillissement. Partijen verwikkelt in een echtscheidingsprocedure. Niet valt uit te sluiten dat er recht bestaat op verrekening. Vordering staat derhalve niet summierlijk vast. Steunvorderingen bovendien gemotiveerd betwist.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST van 1 juni 2010 in de zaak met
zaaknummer 200.063.412/01 van:
[ APPELLANTE ],
wonende te [ A ],
APPELLANTE,
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,
tegen
[ GEÏNTIMEERDE ],
wonende te [ A ],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellante is bij op 23 april 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 21 april 2010 met rekestnummer 452212/FT-RK 10.352, waarbij het verzoek van Appellante tot faillietverklaring van geïntimeerde is afgewezen.
1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 11 mei 2010. Ter zitting is Appellante verschenen, bijgestaan door haar advocaat voornoemd. Voorts is geïntimeerde verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.
2. De gronden van de beslissing
2.1. Op grond van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.
2.2. Appellante pretendeert een opeisbare vordering op geïntimeerde groot € 8703,14 uit hoofde van achterstallige, door geïntimeerde te betalen uitkeringen tot haar levensonderhoud uit hoofde van de beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2007. Geïntimeerde heeft de verschuldigdheid van genoemd bedrag gemotiveerd bestreden en daarbij onder meer een beroep gedaan op een aantal tegenvorderingen op Appellante die hij met genoemd van hem gevorderd bedrag wenst te verrekenen. Appellante op haar beurt bestrijdt dat aan geïntimeerde dat beroep op verrekening toekomt.
2.3. Mede gelet op de aard, veelheid en diversiteit van de geschillen waarin partijen – voormalige echtelieden – verwikkeld zijn gaat een nader onderzoek naar een en ander het bestek van de onderhavige procedure te buiten. Op voorhand valt evenwel niet uit te sluiten dat een of meer van de gepretendeerde tegenvorderingen in verrekening zullen kunnen worden gebracht. Thans valt niet summierlijk vast te stellen of en zo ja tot welk bedrag Appellante per saldo nog een vordering op geïntimeerde heeft. Zelfs echter indien dat wel het geval zou zijn, dan zou het verzoek tot faillietverklaring niettemin niet kunnen worden toegewezen. Geïntimeerde heeft immers in de stukken en bij de behandeling in hoger beroep de door Appellante aangevoerde steunvorderingen stuk voor stuk gemotiveerd betwist. Ook overigens is niet summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat geïntimeerde verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. De rechtbank heeft het verzoek tot faillietverklaring van geïntimeerde dan ook terecht afgewezen.
3. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de uitspraak waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Bockwinkel, H.J.M. Boukema en M.J.J. de Bontridder en uitgesproken ter openbare terecht¬zitting van het hof van 1 juni 2010 in tegen¬woordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.