Materieel strafrecht
Veroordeling voor bedreigingen, wederspannigheid en vernielingen tot een taakstraf voor 90 uren, met aftrek…
Gerechtshof Amsterdam, 16 juli 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1950 · Gerechtshof Amsterdam · 16 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/materieel-strafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1950
Zaakgegevens
Op 16 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-002345-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1950
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor bedreigingen, wederspannigheid en vernielingen tot een taakstraf voor 90 uren, met aftrek. Overschrijding van de redelijke termijn. Beslissingen vorderingen benadeelde partijen.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002345-22
datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 augustus 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-181220-21 en 15-045850-22 en 15-108987-22 en 15-115860-22 en 15-132981-22 en 15-137865-22 en 15-179131-21 en 15-200505-21 en 15-202569-21 en 15-233770-21 en 15-234848-21 en 15-241388-21 en 15-249355-21 en 15-250854-21 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
adres: [adres] .
De verdachte staat als man geregistreerd, dus het arrest is in de mannelijke vorm geschreven. De verdachte identificeert zich als vrouw onder de voornaam [verdachte] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 15-241388-21 onder 2 en in de zaak met parketnummer 15-132981-22 onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, de beslissing omtrent het beslag en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat de door de raadsvrouw in hoger beroep gevoerde bewijsverweren in de zaken met parketnummer 15-108987-22 en parketnummer 15-132981-22, feit 2 worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen die het hof zal uitwerken en aanvullen indien beroep in cassatie wordt ingesteld.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee bedreigingen, wederspannigheid en een groot aantal
vernielingen. Hiermee heeft de verdachte anderen angst aangejaagd en anderen schade en overlast
toegebracht.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer kennis genomen van de over de verdachte opgemaakte psychologische rapportage van 28 februari 2024, opgemaakt door [persoon 1] , psycholoog. Daaruit komt samengevat en voor zover hier van belang, het volgende naar voren.
Bij de verdachte zijn een borderline persoonlijkheidsstoornis, trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis vastgesteld. De psycholoog acht het aannemelijk dat deze stoornissen ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig waren. Omdat de verdachte slechts summier inzicht heeft gegeven in zijn gedragskeuzes ten tijde van de feiten, kan geen uitspraak worden gedaan over de mate van toerekenbaarheid. Gelet op de gestelde persoonlijkheidsproblematiek is er een aanzienlijk risico dat de verdachte op de langere termijn opnieuw komt tot agressie in de vorm van bijvoorbeeld vernielingen. Het hof ziet geen aanknopingspunten tot het aannemen van verminderde toerekenbaarheid van de verdachte bij het plegen van deze feiten. Wel is het beeld van de verdachte zoals dat in deze zaak naar voren komt uitermate zorgelijk. Daarin lijkt in de afgelopen twee jaren op een structurele manier verandering te zijn gekomen.
Uit het strafblad van de verdachte van 18 juni 2026 volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor bedreiging en vernieling. Inmiddels is het gedrag van de verdachte in rustiger vaarwater gekomen en legt hij zich toe op dagbesteding en de begeleiding die hij daarbij krijgt. Die ontwikkeling is ook zichtbaar op verdachtes strafblad.
Voorts heeft het hof het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking genomen.
Gelet op de hoeveelheid en de ernst van de feiten volstaat geen andere straf dan een onvoorwaardelijke taakstraf. Toepassing van artikel 9a Sr, zoals bepleit door de raadsvrouw, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van de feiten.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met ruim 22 maanden. Gelet op de hoogte van de op te leggen taakstraf volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt het hof aan deze overschrijding geen gevolgen.
Beslag
Met betrekking tot het onder parketnummer 15-045850-22 onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerp, te weten 10 gram hennep, heeft het hof geconstateerd dat het voorwerp reeds is vernietigd en dat het beslag met die vernietiging reeds is beëindigd. Het hof zal dan ook niet meer een beslissing hierop nemen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.086,53, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-249355-21 onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het gevorderde bedrag voor de kosten voor het herstellen van het raam en schilderwerk te weten € 2.188,53 is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.
Voor het overige deel van de gevorderde schade is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering wegens de gebrekkige onderbouwing daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.471,82, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-108987-22 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het gevorderde bedrag is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij Nationale Politie Noord-Holland
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 735,23, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering niet zou zijn voorzien van een machtiging.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-137865-22 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Anders dan door de raadsvrouw aangevoerd, is de vordering van de benadeelde partij (meer specifiek: het door de benadeelde partij ingevulde wensenformulier d.d. 12 augustus 2022) wel voorzien van een machtiging waaruit blijkt dat [persoon 2] namens de korpschef van politie is gemachtigd een verzoek tot schadevergoeding in te dienen in gerechtelijke procedures met betrekking tot het verhalen van door de politie geleden schade. Het gevorderde bedrag is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij Global Media & Entertainment
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 435,50, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-115860-22 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het gevorderde bedrag is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 180, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-241388-21 onder 2 en in de zaak met parketnummer 15-132981-22 onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, de beslissingen op de vorderingen benadeelde partij en de beslissing op beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt dat op het beslag, te weten: 10 gr hennep (reeds vernietigd) niet meer zal worden beslist.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-249355-21 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.188,53 (tweeduizend honderdachtentachtig euro en drieënvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-249355-21 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.188,53 (tweeduizend honderdachtentachtig euro en drieënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 september 2021.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-108987-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.471,82 (duizend vierhonderdeenenzeventig euro en tweeëntachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-108987-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.471,82 (duizend vierhonderdeenenzeventig euro en tweeëntachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 14 (veertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2022.
Vordering van de benadeelde partij Nationale Politie Noord-Holland
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Nationale Politie Noord-Holland ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-137865-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 735,23 (zevenhonderdvijfendertig euro en drieëntwintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Nationale Politie Noord-Holland, ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-137865-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 735,23 (zevenhonderdvijfendertig euro en drieëntwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 juni 2022.
Vordering van de benadeelde partij Global Media & Entertainment
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Global Media & Entertainment ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-115860-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 435,50 (vierhonderdvijfendertig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Global Media & Entertainment, ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-115860-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 435,50 (vierhonderdvijfendertig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 mei 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. H.A. van Eijk en mr. D. Abels, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.
mr. H.A. van Eijk en mr. D. Abels zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]