Materieel strafrecht

Vrijspraak voor het niet voldoen aan een gebiedsverbod (feit 2 en 4). Veroordeling voor vernielingen (feit 1…

Gerechtshof Amsterdam, 16 juli 2026

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
23-002635-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1959
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak voor het niet voldoen aan een gebiedsverbod (feit 2 en 4). Veroordeling voor vernielingen (feit 1 en 3) tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, met aftrek. Overschrijding van de redelijke termijn. Beslissingen vorderingen benadeelde partijen. Toewijzing vorderingen tenuitvoerlegging.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002635-23

datum uitspraak: 16 juli 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 september 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 15-235840-23 en 15-195158-23, 15-147874-22 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

adres: [adres 1] .

De verdachte staat als man geregistreerd, dus het arrest is in de mannelijke vorm geschreven. De verdachte identificeert zich als vrouw onder de voornaam [verdachte] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 augustus 2023 te Edam, gemeente Edam-Volendam opzettelijk en wederrechtelijk een muur van een woning, gelegen aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.
hij op of omstreeks 22 augustus 2023 te Edam, gemeente Edam-Volendam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk [nummer 1] , opgelegd op 9 mei 2023, met een verlenging met 3 maanden tot en met 9 november 2023, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172/172A van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Edam-Volendam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 9 augustus 2023 19.00 uur tot en met 9 november 2023 19.00 uur niet mocht bevinden in de bebouwde kom van Volendam en Edam, door, zich op voornoemde datum omstreeks 08:30 uur in/op [adres 2] , althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

3.
hij op of omstreeks 25 augustus 2023 te Edam, gemeente Edam-Volendam opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Citroën C1, kenteken [nummer 2] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4.
hij op of omstreeks 25 augustus 2023 te Edam, gemeente Edam-Volendam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk [nummer 1] , opgelegd op 9 mei 2023, met een verlenging met 3 maanden tot en met 9 november 2023, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172/172A van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Edam-Volendam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 9 augustus 2023 19.00 uur tot en met 9 november 2023 19.00 uur niet mocht bevinden in de bebouwde kom van Volendam en Edam, door, zich op voornoemde datum in/op [adres 3] , althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een deels andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak feit 2 en feit 4

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en 4 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bij besluit van 9 mei 2023 is aan de verdachte een gebiedsontzegging opgelegd, inhoudende dat de verdachte in de periode van 9 mei 2023 tot en met 9 augustus 2023 niet in de bebouwde kom van de gemeente Edam-Volendam aanwezig mocht zijn. Die gebiedsontzegging is bij besluit van 9 augustus 2023 verlengd tot 9 november 2023 te 19.00 uur. De verdachte heeft tegen dit tweede besluit een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar is bij beslissing van de burgemeester van de gemeente Edam-Volendam op 13 december 2023 gegrond verklaard. In die beslissing is het besluit van 9 augustus 2023 herroepen.

Hieruit volgt dat geen sprake is geweest van een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan zoals tenlastegelegd, zodat de verdachte van het onder 2 en 4 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Dat is in lijn met de vordering van de advocaat-generaal.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 22 augustus 2023 te Edam, gemeente Edam-Volendam opzettelijk en wederrechtelijk een muur van een woning, gelegen aan de [adres 2] , die aan [benadeelde partij 1] toebehoorde heeft beschadigd;

3.
hij op 25 augustus 2023 te Edam, gemeente Edam-Volendam opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Citroën C1, kenteken [nummer 2] ), die aan [benadeelde partij 2] toebehoorde heeft beschadigd.

Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert op: telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de beschadiging van een woning door daarop verf te spuiten en beschadiging van een auto door zijn woede daarop bot te vieren. Hiermee heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaren. Dergelijk handelen levert niet alleen economische schade op, maar ook gedoe en overlast voor de gedupeerden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer kennis genomen van de over de verdachte in een gelijktijdig behandelde strafzaak van dit hof (parketnummer 23-002345-22) opgemaakte psychologische rapportage van 28 februari 2024, opgemaakt door [persoon] , psycholoog. Daaruit komt samengevat en voor zover hier van belang, het volgende naar voren.

Bij de verdachte zijn een borderline persoonlijkheidsstoornis, trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis vastgesteld. De psycholoog acht het aannemelijk dat deze stoornissen ook ten tijde van strafbare feiten in voornoemde strafzaak in 2021 en 2022 aanwezig waren. Omdat de verdachte slechts summier inzicht heeft gegeven in zijn gedragskeuzes ten tijde van die feiten, kan door de psycholoog geen uitspraak worden gedaan over de mate van toerekenbaarheid betreffende die feiten. Gelet op de gestelde persoonlijkheidsproblematiek is er een aanzienlijk risico dat de verdachte op de langere termijn opnieuw komt tot agressie in de vorm van bijvoorbeeld vernielingen.

Het hof ziet een dusdanig verband tussen het gedrag in die andere strafzaak en in deze strafzaak, dat het hof ook in deze zaak acht slaat op dit rapport. Het hof ziet geen aanknopingspunten tot het aannemen van verminderde toerekenbaarheid van de verdachte bij het plegen van de feiten. In het zorgelijke beeld van de verdachte van destijds lijkt inmiddels op een structurele manier in positieve zin verandering te zijn gekomen.

Uit het strafblad van de verdachte van 18 juni 2026 volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten. Inmiddels is het gedrag van de verdachte in rustiger vaarwater gekomen en legt hij zich toe op dagbesteding en de begeleiding die hij daarbij krijgt. Die ontwikkeling is ook zichtbaar op verdachtes strafblad.

Voorts heeft het hof het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking genomen.

Toepassing van artikel 9a Sr, zoals bepleit door de raadsvrouw, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van de feiten.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Gelet op de lange duur van verdachtes voorlopige hechtenis (56 dagen) zal hij feitelijk hierin geen uren werk meer voor deze taakstraf hoeven te verrichten.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met ruim 9 maanden. Gelet op de hoogte van de op te leggen straf volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt het aan deze overschrijding geen gevolgen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 113,47, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] (feit 3)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij is in de vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep dus niet meer te oordelen over deze gevorderde schadevergoeding.

Vordering tenuitvoerlegging parketnummer 15-195158-23

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 augustus 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen met proeftijd van 2 jaren gevorderd. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De advocaat-generaal heeft de afwijzing van deze vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd, maar dat vindt het hof onvoldoende recht doen aan verdachtes gedrag terwijl hem deze straf als waarschuwing boven het hoofd hing.

Wel zal het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een taakstraf van hierna te melden duur gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging parketnummer 15-147874-22

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 april 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met proeftijd van 2 jaren gevorderd. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De advocaat-generaal heeft de afwijzing van deze vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd, maar dat vindt het hof onvoldoende recht doen aan verdachtes gedrag terwijl hem ook deze straf als waarschuwing boven het hoofd hing.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal het hof wel, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een taakstraf van hierna te melden duur gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 113,47 (honderddertien euro en zevenenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 113,47 (honderddertien euro en zevenenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 augustus 2023.

Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 augustus 2023 met parketnummer 15-195158-23, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen, met proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 april 2023 met parketnummer 15-147874-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 1 (één) week hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. H.A. van Eijk en mr. D. Abels, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.

mr. H.A. van Eijk en mr. D. Abels zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]