Strafrecht overig

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Zaakgegevens

Op 6 februari 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 februari 2015
Datum publicatie
11 februari 2015
Zaaknummer
23-003482-14
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2015:348
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Uitspraak

Inhoudsopgave

parketnummer: 23-003482-14

datum uitspraak: 6 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlemmermeer) van 2 september 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15/820809-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteland] ( [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1986,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2015, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 augustus 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere strafoplegging dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 augustus 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlemmermeer) heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en het volgen van een behandelplan. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 730,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door de gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het hof rekent dit de verdachte aan.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het thans genaamde Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) inzake de opzettelijke overtreding van artikel 2, onder A, van de Opiumwet gaan uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6-8 maanden bij een gewicht van 500-1.000 gram, indien sprake is van een zogenoemde standaard drugskoerier.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 januari 2015 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft verder acht geslagen op het advies van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering Maastricht van 12 november 2014, waarin de reclassering het hof in overweging geeft om de door de politierechter opgelegde straf deels om te zetten in een voorwaardelijke straf, gelet op de problematiek van de verdachte en zijn toekomstperspectief in Nederland. Daarmee kan de verdachte worden verplicht zich te houden aan een meldplicht en zich ambulant te laten behandelen voor zijn softdrugsverslaving. Het hof sluit zich aan bij de conclusies van dit reclasseringsadvies en zal de in dit advies vermelde voorwaarden aan het op te leggen voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf verbinden.

Evenals de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf de oplegging van een taakstraf passend en geboden is. Gezien de oriëntatiepunten zoals hiervoor genoemd, is naar het oordeel van het hof, naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf, een (onvoorwaardelijke) taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, passend bij de ernst van het misdrijf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich te houden aan de aanwijzingen die Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering hem geeft, voor zover die niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich uiterlijk op 10 februari 2015 telefonisch [telefoonnummer] ) melden bij Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Maastricht. Hierna moet betrokkende zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van een door de reclassering aan te wijzen instelling van forensische ambulante verslavingszorg, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. G.S. Crince Le Roy en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 februari 2015.

De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]