Strafrecht overig
Vrijspraak van mishandeling. Onvoldoende aanleiding om de lezing van de aangeefster geloofwaardiger te achten…
Gerechtshof Amsterdam, 29 september 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:4158 · Gerechtshof Amsterdam · 29 september 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2016-4158
Zaakgegevens
Op 29 september 2016 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 september 2016
- Datum publicatie
- 19 oktober 2016
- Zaaknummer
- 23-001306-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2016:4158
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak van mishandeling. Onvoldoende aanleiding om de lezing van de aangeefster geloofwaardiger te achten dan die van de verdachte.
Uitspraak
parketnummer: 23-001306-16
datum uitspraak: 29 september 2016
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-178674-14 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
opgegeven adres in het buitenland: [adres]).
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 11 januari 2014 te Amsterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij haar haren/hoofd heeft getrokken en/of vastgepakt en/of vastgegrepen en/of vervolgens meermalen, althans eenmaal (met kracht) haar hoofd op/tegen een tafel heeft gedrukt en/of geduwd en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.
Vrijspraak
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet overtuigend bewezen kan worden geacht hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Daartoe is het volgende redengevend.
Vastgesteld kan worden dat er op 11 januari 2014 een woordenwisseling heeft plaatsgevonden in de [bedrijfsnaam] te Amsterdam, waarbij zowel de verdachte als de aangeefster [slachtoffer] betrokken waren. Wat er precies is gebeurd kan op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet worden achterhaald. De verklaringen van de aangeefster en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], inhoudende dat de verdachte de aangeefster aan haar haren heeft vastgepakt en met het hoofd tegen een tafel heeft geslagen, staan lijnrecht tegenover de verklaringen van de verdachte en getuige [getuige 3], die als strekking hebben dat er geen fysiek geweld heeft plaatsgehad. Bovendien heeft de aangeefster deze aanvankelijke lezing van het gebeuren in haar nadere verhoor niet herhaald. De verklaringen van de twee medewerkers van de [bedrijfsnaam] houden in dat zij geen vechtpartij hebben gezien. Verder vermeldt de met betrekking tot de aangeefster opgemaakte letselverklaring dat er weinig objectieve verschijnselen zijn die kunnen worden toegeschreven aan de door haar opgegeven toedracht. Bij die stand van zaken is er onvoldoende aanleiding de lezing van de aangeefster geloofwaardiger te achten dan die van de verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking onder CJIB-nummer 9132542001929974.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 september 2016.