Strafrecht overig
Vrijspraak voor opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, verdachte zat samen met een vriend in de auto van…
ECLI:NL:GHAMS:2017:2366 · Gerechtshof Amsterdam · 22 juni 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2017-2366
Zaakgegevens
Op 22 juni 2017 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 juni 2017
- Datum publicatie
- 22 juni 2017
- Zaaknummer
- 23-003887-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2366
Samenvatting
Vrijspraak voor opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, verdachte zat samen met een vriend in de auto van die vriend, verdachte ontkent te hebben geweten dat er cocaïne in die auto lag
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003887-16
datum uitspraak: 21 juni 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-026884-15 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juni 2017.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 januari 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,07 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 400 euro, eventueel te betalen in termijnen.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.
De verdachte is op 10 januari 2015 samen met een vriend aangetroffen in een auto ter hoogte van perceel [adres 2] , te Amsterdam. In de auto bevonden zich zeven wikkels met daarin een witte poeder, zijnde cocaïne. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de auto van zijn vriend was, dat hij vlak voor zijn aanhouding en voor het eerst die avond in die auto was gestapt en dat hij niet wist dat er cocaïne in die auto lag.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de inhoud van het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een veroordeling van de verdachte van het ten laste gelegde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. A. van Verseveld, in tegenwoordigheid van N. Hannaart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 juni 2017.