Strafrecht overig
niet-ontvankelijkheid ontnemingsvordering wegens vrijspraak (23-003349-13)
ECLI:NL:GHAMS:2017:882 · Gerechtshof Amsterdam · 20 januari 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2017-882
Zaakgegevens
Op 20 januari 2017 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 januari 2017
- Datum publicatie
- 17 maart 2017
- Zaaknummer
- 23-003363-13
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2017:882
Samenvatting
niet-ontvankelijkheid ontnemingsvordering wegens vrijspraak (23-003349-13)
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-003363-13 (ontneming)
Datum uitspraak: 20 januari 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2013 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-650667-12 tegen de veroordeelde:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 18.560,-.
De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2013 veroordeeld ter zake van -kort gezegd- medeplichtigheid aan medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd en medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 5 juli 2013 de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 13.420,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De verdachte is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2017 vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 mei 2016 en 20 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het hof zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gelet op de vrijspraak van de ten laste gelegde feiten in de onderliggende strafzaak.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. P.C. Römer en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van
mr. L.J.M. Klop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 januari 2017.