Strafrecht overig
Ontneming. Bevestiging vonnis. OM niet-ontvankelijk. Art. 74 AWR.
Gerechtshof Amsterdam, 1 februari 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:1537 · Gerechtshof Amsterdam · 1 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2019-1537
Zaakgegevens
Op 1 februari 2019 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 februari 2019
- Datum publicatie
- 2 mei 2019
- Zaaknummer
- 23-000173-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1537
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming. Bevestiging vonnis. OM niet-ontvankelijk. Art. 74 AWR.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000173-18
Datum uitspraak: 1 februari 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-845013-15 tegen de veroordeelde:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1950,
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 95.822,-. Die vordering is in hoger beroep verminderd tot een bedrag van € 50.000,-.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2017 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het over een periode van een aantal jaren opzettelijk onjuist doen van aangiftes inkomstenbelasting voor derden. Deze veroordeling is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 1 februari 2018 bevestigd.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 4 januari 2018 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, met weglating van de op pagina 3 van dat vonnis opgenomen overweging: “De opmerking (…) geen ruimte biedt.”
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van
mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
1 februari 2019.
=========================================================================
[…]