Strafrecht overig

Het weigeren van een ademanalyse als bestuurder van een personenauto.

Zaakgegevens

Op 10 juli 2019 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
10 juli 2019
Datum publicatie
19 juli 2019
Zaaknummer
23-000149-19
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2019:2552
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het weigeren van een ademanalyse als bestuurder van een personenauto.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer eerste aanleg : 96-163357-18

parketnummer hoger beroep : 23-000149-19

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 10 juli 2019 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 november 2018 in de zaak tegen de verdachte:

naam: [verdachte]

voornamen: [verdachte]

geboren: [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats]

adres: [adres].

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

de artikelen 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

gepleegd op 16 augustus 2018 te Den Helder.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.100,00 (duizend honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 220,00 (tweehonderdtwintig euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gewezen door mr. M.F.J.M. de Werd, in bijzijn van C.N. Aalders, griffier.

mr. M.F.J.M. de Werd

De verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van het recht beroep in cassatie in te stellen.