Strafrecht overig
Aanhouding i.v.m. horen getuige en opmaken proces-verbaal.
ECLI:NL:GHAMS:2019:3052 · Gerechtshof Amsterdam · 5 augustus 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2019-3052
Zaakgegevens
Op 5 augustus 2019 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2019
- Datum publicatie
- 20 augustus 2019
- Zaaknummer
- 23-000295-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3052
Samenvatting
Aanhouding i.v.m. horen getuige en opmaken proces-verbaal.
Uitspraak
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof op 5 augustus 2019.
Tegenwoordig zijn:
mr. F.M.D. Aardema, voorzitter,
mr. A.P.M. van Rijn en mr. M. Jurgens, leden,
S. den Hartog, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.D.J. Teengs Gerritsen, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, ter terechtzitting verschenen, antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres].
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.
De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen zij zal horen en wijst erop dat zij niet tot antwoorden verplicht is.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Zij zegt dat zij ten onrechte is veroordeeld, omdat zij werd gedwongen te rijden, terwijl zij onder invloed van MDMA en alcohol was.
De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter:
Ik was op 26 augustus 2018 de bestuurder van een personenauto, te weten een Polo. Het klopt dat ik toen MDMA en alcohol in mijn bloed had en ik weet dat deze middelen de rijvaardigheid beïnvloeden. In de auto kreeg ik klappen van mijn ex-vriend, waarbij hij mijn gezicht op het stuur sloeg. Hij heeft aan het stuur gedraaid. Ik reed stapsgewijs, ongeveer 10 tot 15 kilometer per uur. Het was midden in de nacht. Ik reed in een straat achter mijn woning in Zaandam. Ik ben tegen een zwarte transit aangereden, die beschadigd is geraakt.
Ik stel mij inderdaad op het standpunt dat ik van mijn ex-vriend moest rijden. Ik durfde dit niet tegen de politie te zeggen, omdat ik dan zou moeten verklaren waarom ik hem zou hebben aangeklaagd. Dat zou tot nog meer problemen leiden, te meer nu hij geen Nederlands paspoort heeft. Ik wil verder niks over hem vertellen. Hij is nu helemaal uit mijn leven en ik wil zijn naam niet noemen. U, voorzitter, vraagt mij of ik bang voor hem ben. Dat ben ik. Ik wil niet dat hij mij opzoekt.
Ik had een relatie met hem. Hij gebruikte steroïden, anabolen en drugs. Ik hoefde niet voor hem te werken.
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld de verzoeken om onderzoek te doen naar voren te brengen en toe te lichten. Hij voert het volgende aan:
Ik heb zojuist een aanvullend proces-verbaal van de advocaat-generaal ontvangen.
De advocaat-generaal deelt mede:
Dat is een nieuw stuk dat ik wil overhandigen.
De advocaat-generaal overlegt een aanvullend proces-verbaal van 5 augustus 2019 aan het hof.
De voorzitter deelt mede dat het aanvullend proces-verbaal in het dossier wordt gevoegd. Op 2 augustus 2019 is een reactie van de advocaat-generaal op de onderzoekswensen van de raadsman binnengekomen bij het hof.
De raadsman voert aan:
Dat heb ik gelezen. De verklaring van mijn cliënt op de terechtzitting in eerste aanleg wringt een beetje. U weet wat door mijn cliënt en haar toenmalige raadsvrouw is gezegd. Mijn cliënt zegt dat zij niets heeft verklaard tegenover de verhorende politieambtenaren. Dit staat ook zwart op wit in het proces-verbaal. Toen mijn cliënt naar buiten liep op de bewuste avond, heeft zij een vrouwelijke politieagente gesproken. Zij heeft aan haar over de mishandeling door haar ex-vriend verklaard. Dit staat er niet letterlijk, maar het is te vinden in het proces-verbaal van de terechtzitting.
De jongste raadsheer deelt mede dat hetgeen waaraan de raadsman refereert op pagina 2 van het proces-verbaal staat.
De raadsman vervolgt:
Twee zaken dienen te worden achterhaald. Ten eerste kan de politie gemakkelijk beantwoorden of mijn cliënt met een man in de auto zat. Dit is uiteraard in het belang van de waarheidsvinding. Het tweede punt betreft de verklaringen van mijn cliënt. Zij durfde destijds niet de waarheid te vertellen, maar nu durft zij dat wel. Dit is ook door de toenmalige raadsvrouw van mijn cliënt aangevoerd in eerste aanleg. De eerder overgelegde bijlagen, onder andere betreffend het letsel van mijn cliënt en WhatsApp-berichten, zijn van belang. In de bijlagen bevinden zich ook twee verklaringen van twee goede vriendinnen van mijn cliënt. Zij verklaren over wat voor en na het tenlastegelegde moment is gebeurd. Naast deze twee getuigen, wens ik nog twee getuigen te doen horen, namelijk [getuige 1] en [getuige 2]. Het standpunt dat mijn cliënt onder dwang de auto is ingesleurd, dat zij gedwongen werd te rijden en dat zij klappen heeft gekregen, wordt aannemelijk door de vier getuigen.
Naar aanleiding van het geschrift dat de advocaat-generaal heeft overgelegd, heb ik concreet de volgende twee aanvullende vragen:
1. Zat er een man naast mijn cliënt in de personenauto ten tijde van het incident?
2. Weet de vrouwelijke politieagente, met wie mijn cliënt heeft gesproken na het incident, wat mijn cliënt tegen haar heeft gezegd en welke indruk mijn cliënt destijds op haar maakte?
De voorzitter vraagt de raadsman waarom hij geen appelschriftuur aan het hof heeft doen toekomen na het instellen van hoger beroep.
De raadsman antwoordt hierop:
Ik heb het vonnis op 3 april 2019 gekregen. Daarna heb ik een brief van het hof ontvangen in het kader van eventuele onderzoekswensen. Op 24 april 2019 heb ik een e-mail gestuurd met de onderzoekswensen.
De voorzitter vat de onderzoekswensen als volgt samen:
De verdediging wenst vier getuigen te horen en antwoord te verkrijgen op de twee hierboven genoemde vragen.
De verdachte verklaart:
In het kader van de tweede vraag weet ik nog het een en ander. Het betreft een dame rond de 40 jaar. Ik was op het politiebureau aan het wachten en zat er een paar uren. Ik was heel verdrietig en in shock. De vrouwelijke politieagente kwam naar binnen, praatte tegen me en vroeg of het goed ging. Ik barstte toen in tranen uit en vertelde haar dat ik met mijn gezicht tegen het stuur was geslagen, maar dat ik er niet over durfde te praten. Ze heeft mij toen gezegd dat ik daar veilig was. Ik antwoordde dat ik daar wel veilig was, maar daarna niet meer.
De raadsman deelt mede:
Ik hoef de naam van de politieagente niet te hebben, maar wens een aanvullend proces-verbaal waarin betreffende politieagente beschrijft wat zij zich herinnert. Dit kan het standpunt van mijn cliënt nog aannemelijker maken. De getuigen kunnen vertellen wat zij van mijn cliënt hebben vernomen, welk letsel zij had, hoe ze de ex-vriend van mijn cliënt kennen, hoe gewelddadig hij is en wat er is gebeurd.
De verdachte verklaart:
Eén getuige was erbij. Zij was ook een vriendin van mijn ex-vriend. Ik spreek haar niet meer. Dit is [getuige 3]. We waren bij mij thuis. Mijn ex-vriend en ik hadden ruzie en zijn naar buiten gegaan. Ik heb helemaal geen contact meer met [getuige 3]. Ik weet niet waar zij woont, maar waarschijnlijk in Amsterdam. Ik heb haar leren kennen via mijn ex-vriend en heb haar adres niet. Ik heb de rest wel, waaronder een foto van haar legitimatie. Zij heeft mijn letsel gezien, maar ook hoe agressief mijn ex-vriend was. Zij ging naar boven, toen de politie beneden aan de deur stond. Ik heb met haar gesproken, ben weer geslagen en moest toen naar het politiebureau. [getuige 3] heeft toen een paar uur met mijn ex-vriend gezeten. Zij en de andere getuigen hebben mij vaker met letsel gezien, want ik ben veel vaker mishandeld.
[getuige 4] was niet aanwezig ten tijde van het incident, maar zij probeerde contact met mij te zoeken op de bewuste avond. De volgende ochtend heeft zij mij met letsel gezien.
De getuigen hebben het van buitenaf gezien. Zij probeerden mij te bereiken, want ze wisten al dat er iets zou gaan gebeuren. Zij zijn naar mijn huis gereden, omdat mijn telefoon uit stond. Toen zagen zij dat er politie voor mijn deur stond. Dit hebben zij van een afstand gezien. Ze waren op zoek naar mij. Dit betreffen een goede vriendin en een nichtje.
De jongste raadsheer merkt op dat een kenmerkmelding plus is gemaakt.
De advocaat-generaal voert het woord:
Naar aanleiding van het proces-verbaal van de terechtzitting en de e-mail van de raadsman heb ik contact opgenomen met twee verbalisanten, de heer [verbalisant 1] en de heer [verbalisant 2]. De heer [verbalisant 1] heb ik telefonisch gesproken en vragen gesteld. Ik heb hem gevraagd de informatie naar mij te mailen. Ik heb toen een mutatie betreffende een melding ontvangen. Dit stuk heb ik aan het begin van de terechtzitting overgelegd. De melder is de heer [naam]. Ik stel voor dat ik aan beide verbalisanten vraag of zij de heer [naam] uitnodigen voor een getuigenverhoor, waarna een aanvullend proces-verbaal kan worden opgemaakt. Indien het hof de heer [naam] liever bij de raadsheer-commissaris laat horen, vind ik dat ook goed. Het lijkt mij hoe dan ook nodig dat de heer [naam] een verklaring aflegt. Een aanvullend proces-verbaal over de oorzaak van het letsel van de verdachte kan ook door de heer [verbalisant 1] worden opgemaakt.
Naar mijn mening is het noodzaakscriterium van toepassing. Ik meen dat [getuige 4] niet als getuige moet worden gehoord, omdat zij niet bij het incident aanwezig was. [getuige 3] heeft haar verklaringen reeds op papier gezet. In eerste instantie vorder ik afwijzing van het verzoek om [getuige 3] te horen. [getuige 1] en [getuige 2] zijn pas na het incident ter plaatse gekomen en hebben van een afstand gekeken. Over het horen van de drie laatstgenoemde getuigen kan ik mij pas uitlaten, nadat een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt. Mijn voorstel is daarom om een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken, waarin de heer [verbalisant 1], de heer [verbalisant 2] en de heer [naam] verklaren over de situatie ter plekke.
Ik zou niet weten hoe ik moet achterhalen welke vrouwelijke politieagente met de verdachte heeft gesproken. Ik wil het verhaal hierover voor waar aannemen.
De raadsman deelt mede:
Ik kan mij vinden in een verwijzing naar de raadsheer-commissaris. Ik persisteer wat het verzoek tot het bevragen van de vrouwelijke politieagente betreft.
De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter:
De vrouwelijke politieagente is niet dezelfde vrouw die mij heeft voorgeleid. Het was niet de vrouw die mij over mijn rechten heeft geïnformeerd en ik heb in het geheel geen informatie over mijn rechten gehad.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad in raadkamer.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de volgende beslissingen mede:
1. Nu de verzoeken tot het horen van de getuigen niet bij tijdig ingediende appelschriftuur zijn gedaan, is de maatstaf van het noodzaakcriterium van toepassing.
Het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 4], [getuige 1] en [getuige 2] wordt afgewezen, nu de noodzaak hiertoe niet blijkt. Geen van de genoemde getuigen is aanwezig geweest bij het ten laste gelegde feit.
Het verzoek tot het achterhalen van de vrouwelijke politieagente is te vaag geformuleerd. Het verzoek tot het achterhalen van haar gegevens dan wel het verzoek tot het horen van deze politieagente wordt afgewezen, nu het verzoek onvoldoende concreet is. De noodzaak hiertoe wordt niet aanwezig geacht, ook voor zover het verzoek strekt tot anders of meer.
2) De getuige [getuige 3] dient te worden gehoord door de raadsheer-commissaris, onder de voorwaarde dat de raadsman de adresgegevens van de getuige binnen veertien dagen na 5 augustus 2019 doet toekomen aan de raadsheer-commissaris.
3) De advocaat-generaal wordt gelast een proces-verbaal van bevindingen te laten opmaken door de verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], waarin dient te worden gerelateerd over de omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen op het moment van aantreffen op dag en tijdstip van het eenzijdig ongeval. In het bijzonder dient te worden vermeld of er een bijrijder in de personenauto zat, of er een mannelijk persoon in de nabijheid van de verdachte was op dat moment en zo ja wie die persoon was. Eventuele verwondingen of bijzonderheden die zijn waargenomen dienen ook te worden vermeld, met name de eventuele verwondingen van de verdachte. Ten slotte wat verder de verbalisanten is opgevallen, waarover niet is gerelateerd en wat bovengenoemde vraagstelling te buiten gaat.
4) De advocaat-generaal wordt gelast een proces-verbaal van verhoor te laten opmaken inhoudende de verklaring van de getuige/melder [naam] wat deze getuige uit eigen wetenschap kan verklaren over wat hij die ochtend heeft waargenomen.
5) De advocaat-generaal wordt ten slotte gelast de in het dossier genoemde “ kenmerkmelding plus” (proces-verbaal rijden onder invloed, onder kopje “ongeval”) te achterhalen en te voegen aan het dossier.
6) De zaak wordt met het oog op hetgeen hierboven onder 2 is vermeld in handen gelegd van de vaste raadsheer-commissaris bij dit hof en voor zover dit betreft 3, 4 en 5 in handen van de advocaat-generaal.
7) Vervolgens deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd, met bevel tot oproeping van de verdachte en haar raadsman tegen de dag en het tijdstip van de nader te bepalen terechtzitting.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en – de griffier daartoe buiten staat zijnde – alleen door de voorzitter ondertekend.
Noot: Voor de behandeling van onderhavige zaak op de volgende zitting dienen 60 minuten te worden gereserveerd.