Strafrecht overig
Bevestiging vonnis rechtbank. Wederrechtelijk verkregen voordeel geschat tot een bedrag van € 4.149,00.
ECLI:NL:GHAMS:2022:2150 · Gerechtshof Amsterdam · 7 juli 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2022-2150
Zaakgegevens
Op 7 juli 2022 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 juli 2022
- Datum publicatie
- 21 juli 2022
- Zaaknummer
- 23-001041-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2150
Samenvatting
Bevestiging vonnis rechtbank. Wederrechtelijk verkregen voordeel geschat tot een bedrag van € 4.149,00.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 7 juli 2022deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2022:2150
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 november 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1427Hoge Raad · 4 februari 2025
ECLI:NL:HR:2025:176
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001041-21
datum uitspraak: 7 juli 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2021 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-674200-17 tegen de betrokkene:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
adres: [adres].
Procesgang
Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 4.149,00.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 28 mei 2019 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van medeplichtigheid aan het medeplegen van oplichting.
Voorts heeft de rechtbank bij vonnis van 8 april 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.149,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Tegen beide vonnissen is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2022 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van oplichting.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei, 8, 9, 13 en 24 juni 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. M.L. Leenaers en mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. S. Bor, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2022.