Strafrecht overig

Onderzoek Riesling. Invoer cocaïne via zeecontainers, deelname aan criminele organisatie gericht op…

Zaakgegevens

Op 7 juli 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
7 juli 2023
Datum publicatie
12 juli 2023
Zaaknummer
23-002118-18
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:1659
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Onderzoek Riesling. Invoer cocaïne via zeecontainers, deelname aan criminele organisatie gericht op Opiumwetdelicten, witwassen. Matiging gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn.

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 1 juni 2018

    ECLI:NL:RBAMS:2018:3855
  2. Gerechtshof Amsterdam · 7 juli 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2023:1659

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002118-18

datum uitspraak: 7 juli 2023

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-997075-16 (hierna: zaak A) en 13-997015-17 (hierna: zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

adres: [adres 1] .

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2019, 7 februari 2019, 16 juli 2019, 22 en 24 mei 2023, 1 juni 2023 en 7 juli 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder parketnummer 13-997075-16 (zaak A) onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

De verdachte is voorts door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen hem onder parketnummer

13-997015-17 (zaak B) onder 2 is ten laste gelegd, voor zover het de contante stortingen betreft die zijn opgenomen achter de eerste vier gedachtestreepjes van de tenlastelegging. Nu het hier cumulatief tenlastegelegde feiten betreft, zal het hof de verdachte eveneens niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het tenlastegelegde opgenomen achter deze eerste vier gedachtestreepjes.

3 Tenlastelegging

De verdenking tegen de verdachte bestaat er kort gezegd uit dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van, dan wel medeplichtigheid aan de invoer van cocaïne, dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of artikel 10a eerste lid van de Opiumwet (Ow) en zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Wat betreft de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid overweegt het hof nog het volgende.

Aan de verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij een hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd, aan welk misdrijf hij medeplichtig is geweest door [bedrijf 1] beschikbaar te stellen. Het hof leest deze tenlastelegging evenals de rechtbank verbeterd, in die zin dat bedoeld is ten laste te leggen dat anderen een hoeveelheid cocaïne hebben ingevoerd, aan welk misdrijf hij medeplichtig is geweest. Op grond van hetgeen primair ten laste is gelegd stelt het hof vast dat het subsidiair ten laste gelegde aldus verbeterd moet worden gelezen.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit arrest.

4 Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaring ter zake van de feiten 1 en 2 van zaak B. Het hof neemt wel veel overwegingen van de rechtbank over.

5 Zaak A, feit 1 (ZD03, invoer onbekende hoeveelheid cocaïne)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden dat het hier om een cocaïnetransport gaat. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de verdachte niet als medepleger van het transport kan worden aangemerkt en evenmin als medeplichtige bij het transport.

Het hof leidt uit het dossier het volgende af.

Op vrijdag 12 februari 2016 komt het schip ‘Cap San Maleas’ aan in de haven van Rotterdam. Het schip is op 24 januari 2016 uit Santos, Brazilië vertrokken en is onder meer geladen met een batch van vijf 20 foot-containers, met een partij sinaasappelolie. Er zijn 400 vaten sinaasappelolie besteld door [bedrijf 2] , een bedrijf in Duitsland. Het transportbedrijf [bedrijf 3] krijgt opdracht om de vijf containers te vervoeren en plant dat in op 15 februari 2016. Eén van de containers heeft het nummer HASU1395977. Deze container wordt op 12 februari 2016, kort nadat deze van het schip is gelost, opgehaald bij de terminal door een vrachtwagen met het Bulgaarse kenteken [kenteken 1] . Deze vrachtwagen is op naam gesteld van [bedrijf 4] . De aandeelhouders van dit bedrijf zijn dezelfde als die van [bedrijf 5] , namelijk [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De chauffeur, [persoon 1] , verklaart dat hij zijn opdrachten normaal gesproken van [medeverdachte 1] of [medeverdachte 5] krijgt. In dit geval was de opdracht om de container naar [bedrijf 5] te brengen. [persoon 1] verklaart ook dat hij zich kan herinneren dat hij een keer op een vrijdagavond een container naar [bedrijf 5] heeft gereden en dat deze vervolgens door [medeverdachte 1] verder is vervoerd.

Op basis van een afgeluisterd OVC-gesprek ontstaat bij de politie het vermoeden dat de container is opgehaald om bij [verdachte] , op het terrein van [bedrijf 1] , één of meer tassen met verdovende middelen uit de container te lossen. Op 12 februari 2016 zijn [verdachte] en [medeverdachte 4] een aantal keer aanwezig bij [bedrijf 1] . [medeverdachte 1] wordt er ook gezien. In de avond van 12 februari 2016 worden [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] ook bij [bedrijf 1] gezien. Omstreeks 21.18 uur die avond rijdt er een vrachtwagen van [bedrijf 5] , met een 20 foot-container, het terrein van [bedrijf 1] op. Zeven minuten later vertrekt deze weer.

Op 15 februari 2016 omstreeks 07.15 uur lost [medeverdachte 1] de container met nummer HASU1395977 bij [bedrijf 6] . Uit het inslagadvies blijkt dat het aantal vaten handmatig is aangepast van 80 naar 79.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat container HASU1395977 op 12 februari 2016 door een chauffeur van [bedrijf 5] uit de reguliere logistieke keten is gehaald en dat [medeverdachte 1] die avond de betreffende container bij [bedrijf 1] het terrein op heeft gereden. Uit deze container zijn tassen gelost, waarna [medeverdachte 1] weer is vertrokken. Hieruit blijkt dat de container, naast 79 vaten sinaasappelolie, ook een extra (niet-gedocumenteerde) lading bevatte. De vraag die voorligt is of dit, zoals ten laste gelegd, een (grote) hoeveelheid cocaïne betrof. Het hof stelt voorop dat er geen cocaïne is aangetroffen. Het uitgangspunt is dat de invoer van cocaïne pas kan worden bewezen als er daadwerkelijk cocaïne wordt aangetroffen en in beslag genomen. Op dit uitgangspunt kan een uitzondering worden gemaakt als de inhoud van de bewijsmiddelen voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat de op een bepaald tijdstip gerealiseerde invoer kan worden bewezen. Daarbij moet worden beoordeeld of de bewezen invoer betrekking heeft gehad op verdovende middelen, in dit geval: cocaïne. Dat er door de verdachten in de OVC-gesprekken niet over cocaïne is gesproken, hoeft aan een bewezenverklaring niet in de weg te staan. Dan moet er echter wel sprake zijn van ‘een patroon van handelingen en gebeurtenissen dat in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon, beschreven in een zaaksdossier waarin wél een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen en dat tot een bewezenverklaring van een de verdachte ten laste gelegd feit heeft geleid. Daarbij is onder meer de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken en de modus operandi van betekenis.

Daarbij geldt dat als de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de inhoud van afgeluisterde gesprekken of andere bewijsmiddelen, de conclusie dat het over cocaïne ging, niet mag worden getrokken.

Het hof is van oordeel dat de handelwijze in dit zaaksdossier in aanzienlijke mate overeenkomt met de handelwijze in andere zaaksdossiers. Het hof noemt met name zaaksdossier 2. Ook in dat zaaksdossier komt [medeverdachte 4] bij [medeverdachte 1] langs met het verzoek om containers uit de normale routering te halen, zodat er cocaïne uit kan worden gehaald. De betreffende container wordt vervolgens door of in opdracht van [medeverdachte 1] opgehaald, zonder dat daar een formele opdracht voor is. Vervolgens wordt de container ongemerkt weer ingeleverd (proces-verbaal ZD02: “30 en 31 kilo in koelmotor”, p. 9 e.v. onder ‘2.2.5. Samenvatting ‘Het 30 + 31 kilo in koelmotor-traject’). In hoofdlijnen komt de handelwijze in zaaksdossier 2 dus overeen met onderhavige zaak. De omstandigheid dat de extra lading de ene keer bij de koelmotor heeft gezeten en de andere keer in tassen is niet zodanig anders dat niet van een overeenkomende modus operandi kan worden gesproken. Dat de verdachte niet deelneemt aan zaaksdossier 2 doet niet af aan het feit dat uit de overeenkomsten met dat zaaksdossier kan worden afgeleid dat het ook in zaaksdossier 3 om (de invoer van) cocaïne gaat.

Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het onderzoek Riesling samen in verband worden gebracht met verschillende containertransporten binnen een relatief korte periode waarbij ofwel cocaïne in beslag wordt genomen ofwel cocaïneresten worden aangetroffen (Algemeen Dossier, p. 26 t/m 32). In geen van de door de politie onderzochte transporten is gebleken van andere contrabande dan cocaïne.

Dat in de tassen cocaïne heeft gezeten wordt bovendien ondersteund door afgeluisterde gesprekken waaruit blijkt dat [verdachte] 50.000 euro aan [medeverdachte 1] heeft betaald voor deze klus (tot [medeverdachte 1] ongenoegen, aangezien er 75.000 euro was overeengekomen). Het betalen van een dergelijk bedrag duidt er op dat de inhoud van de tassen een hoge waarde vertegenwoordigde. Bovendien was blijkens afgeluisterde gesprekken een bedrag van 75.000 euro in de samenwerking tussen [bedrijf 5] en [medeverdachte 4] een gebruikelijk tarief voor een cocaïnetransport (zo zegt [medeverdachte 4] in een OVC-gesprek van 27 februari 2016 tegen [medeverdachte 1] : ‘Straks hebben we bakjes van 130, dan doen we gewoon weer die 75’ (ZD04 p. 192). Verder is het vreemd te noemen dat [medeverdachte 1] de container pas ’s avonds, na reguliere sluitingstijd van [bedrijf 1] , daar brengt en dat hij in latere afgeluisterde gesprekken laat doorschemeren dat het gevaarlijk was om daar te lossen, zo vol in het licht en dat als de politie er die avond was, ze “vierkant de lul” zouden zijn geweest (ZD03, p. 194). Kennelijk was [medeverdachte 1] met iets illegaals bezig.

Deze omstandigheden, in samenhang bezien, dragen bij aan de overtuiging dat het een transport van cocaïne betreft.

Het hof merkt ten slotte op dat geen van de verdachten een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de belastende inhoud van de afgeluisterde gesprekken en andere bewijsmiddelen. Het hof stelt daarom vast dat in de tassen een hoeveelheid cocaïne heeft gezeten.

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het primair ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat wel kan worden bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne. Het hof komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

Om tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid te komen dient te worden bewezen dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij de invoer door een ander/anderen van de betreffende hoeveelheid cocaïne of dat hij opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen hiervan. Zoals hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat [medeverdachte 1] op 12 februari 2016 een container met daarin een hoeveelheid cocaïne naar [bedrijf 1] heeft gereden. De verdachte heeft gesteld dat hij niet de eigenaar van [bedrijf 1] is. Uit het OVC-gesprek van 11 februari 2016 blijkt dat [medeverdachte 1] ‘bij [voornaam verdachte] ’ – en dus niet ‘bij [bedrijf 1] ’ of iets dergelijks – tassen ging lossen. De verdachte wordt in dit verband dus bij naam genoemd. Het hof stelt vast dat de verdachte op 12 februari 2016 regelmatig bij [bedrijf 1] wordt gezien, ook ’s avonds nadat [medeverdachte 1] weer is vertrokken. Daarnaast is het zo dat de verdachte die dag meermalen samen met [medeverdachte 4] bij [bedrijf 1] wordt gezien. De verdachte is bovendien degene die [medeverdachte 1] 50.000 euro betaalt voor zijn werk. De betrokkenheid van de verdachte blijkt ten slotte duidelijk uit een OVC-gesprek van 23 februari 2016 tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] , waarin [medeverdachte 4] over de verdachte zegt: ?Maar hij neemt dat weer aan van mij in 1 klus, snap je? Dus hij krijgt van mij een bepaald bedrag. Daaruit moet hij transport betalen en daaruit betaalt hij dan, snap je, die plek die hij dan hebt geregeld.’

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de verdachte het terrein van [bedrijf 1] beschikbaar heeft gesteld voor het lossen van de cocaïne uit de container. Het hof leidt uit de opmerking van [medeverdachte 1] op 11 februari 2016 (‘Ik geloof dat we bij [voornaam verdachte] moeten gaan lossen, tassen eruit, zegel eruit halen, dichtklikken en dan zijn we ntv terug, gaan we lossen’) af, dat dit blijkbaar vooraf is afgesproken. Daarmee is naar het oordeel van het hof bewezen dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het medeplegen van de invoer van een hoeveelheid cocaïne.

6. Zaak B, feit 1 (ZD06, criminele organisatie)

De in artikel 11b Ow bedoelde organisatie die – kortgezegd – tot oogmerk heeft het plegen van een of meer drugsdelicten, hangt nauw samen met de organisatie die als oogmerk heeft het plegen van misdrijven (in het algemeen) als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hiervoor geldt het volgende beoordelingskader.

Van een ‘organisatie’ is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.

Van ‘deelneming’ aan een organisatie kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene.
Voor ‘deelneming’ is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, in het onderhavige geval van drugsmisdrijven.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat sprake is van een organisatie als bedoeld in artikel 11b Ow, bestaande uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .

De vraag dient te worden beantwoord of de verdachte heeft deelgenomen aan deze organisatie.

De verdediging heeft betoogd dat, ook als tot een bewezenverklaring met betrekking tot medeplichtigheid ten aanzien van zaak A, feit 1 (ZD03) wordt gekomen, de verdachte niet als deelnemer aan de organisatie kan worden aangemerkt. De verdachte probeerde wat bij te verdienen door uiteindelijk kennelijk een ruimte ter beschikking te stellen. Voor de rest praat de verdachte een beetje mee en probeert hij te achterhalen of hij wellicht wat kan verdienen en om te bezien dat er niet stiekem werd verdiend zonder hem wat te gunnen. De verdachte had [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] samengebracht, maar die houden hem juist buiten de organisatie.

Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat de verdachte door het terrein van het bedrijf [bedrijf 1] aan (onder meer) [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ter beschikking te stellen voor het lossen van cocaïne, medeplichtig is geweest aan de invoer van cocaïne. Voorts neemt het hof in aanmerking het hiervoor genoemde OVC-gesprek van 23 februari 2016 tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . In dit gesprek wordt teruggeblikt op het lossen van de cocaïne bij [bedrijf 1] op 15 februari 2016. Het hof leidt uit dit gesprek af dat de verdachte het geld dat [medeverdachte 1] krijgt voor het transport/het lossen van de cocaïne aan [medeverdachte 1] betaalt en daarvan zelf een deel houdt. In ditzelfde gesprek zegt [medeverdachte 1] over de verdachte: “Het enigste wat hij doet is tellen en de vorige keer kwam hij boos terug dat er een kilo weg was.” Ook zegt [medeverdachte 1] in dit gesprek over de verdachte “Dus als wij dat ding openmaken en dichtmaken, zodra dat spul er uit is is hij ook klaar, weet je wel. Hij hoeft niet mee te helpen, hij hoeft helemaal niets te doen. Hij loopt een jaar mee, hij verkoopt die handel.” In een OVC-gesprek van 24 februari 2016 tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zegt [medeverdachte 2] over de verdachte dat de verdachte samenwerkt met [medeverdachte 4] . In een OVC-gesprek van 11 april 2016 op het kantoor van [bedrijf 5] tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte, dat plaatsvindt direct nadat [medeverdachte 7] (betrokken bij de invoer van 454 kilo cocaïne, ZD01) is vertrokken, vraagt de verdachte aan [medeverdachte 1] wat voor bedrag hij met “die man” had afgesproken. Hierbij doelt [verdachte] kennelijk op [medeverdachte 7] . De verdachte zegt verder dat hij “vijftig” voor hem ( [medeverdachte 1] ) heeft. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat met “50” 50.000 wordt bedoeld. De verdachte zegt ook “ik moet die man betalen.. met het ticket erbij.” Hierop zegt [medeverdachte 2] : “Ik moet anders effe kijken want ik moet ook staven erbij en aluminium (…) Aluminium staven om te lassen. He? Dat moet er ook bij, he?”, waarop de verdachte zegt “dat schrijf ik erbij” en “ [afkorting naam] heeft beloofd voor lassen (..)”.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte kennelijk meerdere malen het terrein van [bedrijf 1] ter beschikking heeft gesteld voor het lossen van cocaïne, deze ook verkoopt alsmede betalingen voor cocaïnetransporten verricht aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en andere betrokkenen. Verder werkt de verdachte kennelijk samen met [medeverdachte 4] in relatie tot cocaïnetransporten. Hiermee heeft de verdachte een aandeel in gedragingen dan wel ondersteunt hij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11b Ow bedoelde oogmerk van de organisatie en kan hij als deelnemer worden aangemerkt. Dat er bij de andere verdachten de nodige irritaties waren over de verdachte en dat zij ook opperden om hem erbuiten te houden zoals door de verdediging is aangevoerd, doet niet af aan het voorgaande.

7 Zaak B, feit 2 (ZD11, witwassen)

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de verdenking van het witwassen van een personenauto, een Range Rover, heeft de verdediging aangevoerd dat deze is betaald met geld van de partner van de verdachte, afkomstig uit bruidsschatten. Het Hublot-horloge (IBN- code: CH29C.03.03.001) is van de partner van de verdachte en is niet witgewassen. De verdediging heeft zich met betrekking tot de twee andere horloges gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde witwassen kan worden bewezen. Niet bewezen is volgens de advocaat-generaal dat daarbij sprake is geweest van een gewoonte en dat de verdachte de feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.

Overwegingen van het hof

Aan de verdachte is onder zaak B, feit 2 (ZD11) – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging, zich schuldig heeft gemaakt aan ‘witwassen’ in de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juni 2016.

Kort samengevat heeft de verdenking ter zake witwassen betrekking op de aankoop van een personenauto, een Range Rover op 12 februari 2016 en op het voorhanden hebben van drie horloges van het merk Hublot.

Beoordelingskader

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (artikel 420bis e.v. Sr), niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf.

Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Als de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.

Overwegingen ten aanzien van de verdachte

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich ten aanzien van de Range Rover en twee horloges van het merk Hublot heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

Het hof is ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde Range Rover en twee van de drie horloges van oordeel dat sprake is van een witwasvermoeden. De hoogte van de met betrokken goederen gemoeide bedragen stroken immers in het geheel niet met het legale inkomen dat de verdachte had, terwijl de verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie die zich bezighield met handelingen met betrekking tot cocaïne. Daarnaast is niet aannemelijk dat deze goederen uit andere – wel legale – bronnen zijn gefinancierd. Op het laatste zal hierna meer in het bijzonder worden ingegaan.

Range Rover

Ten aanzien van de aankoop van de Range Rover baseert het hof het vermoeden van witwassen op het feit dat voor de Range Rover, in combinatie met het inruilen van een Mini Cooper, door de verdachte

€ 24.000,= contant is betaald. Het totale bedrag dat gemoeid was met de aankoop van de Range Rover was € 44.500,=. Daarbij stelt het hof vast dat het legale inkomen van de verdachte, bestaande uit een WAO-uitkering en enkele toeslagen volstrekt onvoldoende was om deze personenauto te kunnen betalen.

De verdediging heeft – ter weerlegging van het witwasvermoeden – aangevoerd dat het contante deel van de betaling afkomstig was van de verkoop van juwelen van door de partner van de verdachte ontvangen bruidsschatten. Dit bedrag in combinatie met de aan de partner van de verdachte toebehorende Mini Cooper is de wijze waarop de Range Rover is betaald. Samengevat stelt de verdediging aldus dat de Range Rover volledig is gefinancierd uit het vermogen van de partner van de verdachte.

Deze stelling verhoudt zich niet tot de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg: “U vraagt mij naar de Range Rover. Die heb ik inderdaad voor mijn vriendin gekocht.” Deze verklaring komt overeen met de verklaring van de autoverkoper inhoudende dat er een meneer kwam kijken naar de Range Rover en dat hij vertelde dat hij de auto wilde kopen voor zijn vrouw.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte – die hij in hoger beroep heeft herhaald – dat het geld van zijn partner was, afkomstig uit bruidsschatten, en dat hij dat van haar mocht gebruiken om een auto voor haar te kopen, hoogst onwaarschijnlijk is.

Daarbij kan worden opgemerkt dat de verklaringen van de verdachte en zijn partner opmerkelijke tegenstrijdigheden bevatten. Zo verklaart zijn partner bij het verhoor bij de rechter-commissaris dat zij niet wist dat de verdachte die auto voor haar kocht, terwijl de verdachte op zitting verklaart dat zij hem vroeg om ‘zo'n jeep' voor haar te kopen. Bovendien valt geen van beide scenario’s te rijmen met de verklaring van de autodealer dat de verdachte deze auto wilde kopen voor zijn vrouw en haar deze cadeau wilde doen op Valentijnsdag. Hij wilde dat de auto met strik en al werd ingepakt. De verklaring van de verdachte dat dit was om ?een beetje stoer' te doen en niet te laten blijken dat het voor zijn partner ‘een sigaar uit eigen doos was’ overtuigt niet.

Het enkele feit dat ter terechtzitting in eerste aanleg een bon is overgelegd waaruit zou moeten blijken dat zijn partner in augustus 2015 voor € 28.500,= aan sieraden zou hebben verkocht aan een juwelier in Istanbul, is in dit opzicht geen omstandigheid die het vermoeden van witwassen kan ontzenuwen. De verkoop van sieraden zegt immers niets over de mogelijke legale herkomst – de stelling dat deze afkomstig zouden zijn van ‘bruidsschatten’ is daarvoor niet voldoende – van de sieraden en daarmee van het daarvoor verkregen geld.

Nu de verklaring van de verdachte over de herkomst van het contante geld op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is en niet te verifiëren, is het vermoeden van witwassen niet ontkracht. Het hof komt tot een bewezenverklaring van witwassen van de Range Rover.

Horloges

De verdediging heeft zich ten aanzien van de verdenking van het witwassen van twee Hublot-horloges gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ten aanzien van deze horloges sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank.

Ook ten aanzien van twee – kostbare – horloges is, gelet op de geringe legale inkomsten van de verdachte, sprake van een witwasvermoeden. De verklaring van de verdachte over de herkomst van de horloges is volstrekt niet verifieerbaar. De verdachte komt pas ter terechtzitting in eerste aanleg met een verklaring over ene ‘ [persoon 2] ’ voor wie hij de horloges zou verkopen, maar geeft deze verklaring vervolgens op geen enkele manier handen en voeten. Het hof houdt het er daarom voor dat deze horloges een criminele herkomst hebben en dat van witwassen sprake is.

Het ‘ [partner verdachte] -horloge’

De verdediging heeft ten aanzien van het Hublot-horloge dat in beslag is genomen onder nummer CH29C.03.03.001 (p. 29 map ZD11) gesteld dat dit horloge toebehoort aan mevrouw [partner verdachte] , de partner van de verdachte. Bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 12 januari 2018 heeft [partner verdachte] aangegeven dat specifiek dit horloge aan haar toebehoort en verteld hoe zij dit horloge in haar bezit heeft gekregen.

Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld dat de verdachte al dan niet als medepleger betrokken is bij het verwerven en/of voorhanden hebben van het hier bedoelde horloge. Op grond hiervan kan niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van het aan de verdachte tenlastegelegde witwassen van dit specifieke horloge.

Voor zover witwassen wordt bewezen verklaard, is het hof met de verdediging en advocaat-generaal van oordeel dat geen sprake is van gewoontewitwassen en evenmin van medeplegen. Van deze onderdelen zal het hof de verdachte vrijspreken.

8 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van zaak A, feit 1, subsidiair (ZD03)

anderen in de periode van 24 januari 2016 tot en met 15 februari 2016 in Nederland opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht,

een hoeveelheid cocaïne,

bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte in voornoemde periode te Vlaardingen behulpzaam is geweest door opzettelijk een loods en/of parkeerterrein, althans een locatie (te weten het bedrijf [bedrijf 1] te Vlaardingen) ter beschikking te stellen voor de aflevering en/of de op- en/of overslag van een voornoemde hoeveelheid cocaïne;


ten aanzien van zaak B, feit 1 (ZD06)

hij in de periode van 24 januari 2016 tot en met 19 april 2016 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, en/of 10a eerste lid Opiumwet;


ten aanzien van zaak B, feit 2 (ZD11)

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juni 2016 in Nederland zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte

- op 12 februari 2016 een personenauto, merk Range Rover, met kenteken [kenteken 2] en

- op 28 juni 2016 horloges van het merk Hublot (IBN-code: CH29C.01.01.003 en CH29C.03.02.003)

verworven en/of voorhanden gehad

terwijl hij, verdachte wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in bijlage II bij dit arrest zijn vervat.

9 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet.

Het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:

witwassen, meermalen gepleegd.

10 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

11 Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder zaak A feit 1 (ZD03), zaak B feit 1 (ZD06) en zaak B feit 2 (ZD11) bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder zaak A feit 1, zaak B feit 1 en zaak B feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 47 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft gewezen op de kleine rol van de verdachte en op zijn persoonlijke omstandigheden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de invoer van cocaïne door een bedrijfsterrein ter beschikking te stellen voor het lossen van die cocaïne. Verder heeft de verdachte deel uitgemaakt van een criminele drugsorganisatie, gericht op cocaïnedelicten. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke, verslavende stof, met grote nadelige psychische en lichamelijke effecten voor de gebruiker. Het gebruik van en de georganiseerde (internationale) handel in cocaïne leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een bron van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen.

Daar komt bij dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en daarmee opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie heeft onttrokken. Witwassen houdt verband met de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan.

Alles overziend, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar en 6 maanden in beginsel passend en geboden is. Hierbij zij opgemerkt dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat de rol van de verdachte in de criminele organisatie van een dusdanig gewicht is als waarvan de rechtbank is uitgegaan en waarvan ook de advocaat-generaal in hoger beroep uitgaat.

Redelijke termijn

In de fase van berechting in eerste aanleg is de redelijke termijn voor berechting met ruim 7 maanden overschreden. In de fase van de berechting in hoger beroep heeft zich vervolgens een aanzienlijkere schending van de redelijke termijn voorgedaan. Op 13 juni 2018 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het op 1 juni 2018 door de rechtbank Amsterdam gewezen vonnis. Eerst heden – 7 juli 2023 – wordt arrest gewezen door het hof. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim 3 jaar. Het hof gaat voor de duur van de redelijke termijn in hoger beroep uit van 2 jaar nu de verdachte, die zich ten tijde van het instellen van hoger beroep in voorlopige hechtenis bevond, per 28 februari 2019 uit de voorlopige hechtenis is geschorst. De overschrijding van de redelijke termijn is het gevolg van verschillende omstandigheden die niet aan de verdediging zijn te wijten, waaronder de sluiting van de gerechten vanwege de Covid19-pandemie in 2020. Naar het oordeel van het hof kan in het onderzoek dat op verzoek van de verdediging in hoger beroep heeft plaatsgevonden geen rechtvaardiging voor de overschrijding worden gevonden.

Alles afwegende – waaronder de overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in beide instanties en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – komt het hof tot een straf die ertoe leidt dat de verdachte niet weer gedetineerd zal raken en wordt aan hem een gevangenisstraf opgelegd van 621 dagen met aftrek van voorarrest.

12 Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

2 personenauto Range Rover;

3 geld, 10,00 euro;

4 horloge Hublot (IBN-code: CH29C.01.01.003);

5 horloge Rolex Oyster;

6 horloge Hublot (IBN-code: CH29C.03.02.003);

7 horloge Polo country;

8 horloge Hublot (IBN-code: CH29C.03.03.001);

10 busje pepperspray;

11 80 mg tadaga power;

12 zaktelefoon Blackberry;

13 zaktelefoon Blackberry;

14 computer Ipad;

15 zaktelefoon Blackberry;

16 zaktelefoon Iphone 6;

17 zaktelefoon Blackberry;

18 zaktelefoon Samsung;

19 zaktelefoon Yama Yahoo;

20 zaktelefoon GSM Wiko;

21 zaktelefoon Iphone S4;

22 zaktelefoon Blackberry;

23 zaktelefoon Blackberry (blijkens mededeling van de advocaat-generaal betreft dit dezelfde telefoon als opgenomen onder 28, zodat het hof alleen over 28 een beslissing zal nemen);

24 gripzakje wit poeder;

25 zaktelefoon Blackberry;

26 80 mg gele pillen;

27 zaktelefoon Nokia;

28 zaktelefoon Blackberry;

29 gripzakje wit poeder.

12.1

Verbeurdverklaring

De volgende voorwerpen zullen overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal worden verbeurdverklaard:

2 personenauto Range Rover;

4 horloge Hublot (IBN-code: CH29C.01.01.003);

6 horloge Hublot (IBN-code: CH29C.03.02.003);

nu deze aan de verdachte toebehoren en het bewezenverklaarde met betrekking tot of met behulp van voornoemde voorwerpen is begaan. Niet is gebleken dat de verdachte daarmee onevenredig in zijn vermogen zou worden getroffen.

12.2

Onttrekking aan het verkeer

De volgende voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer:

24 gripzakje wit poeder;

29 gripzakje wit poeder;

nu deze zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

12.3

Teruggave aan de verdachte

De volgende voorwerpen zullen aan de verdachte worden teruggegeven:

3 geld, 10,00 euro;

5 horloge Rolex Oyster;

7 horloge Polo country;

10 busje pepperspray;

13 zaktelefoon Blackberry;

14 computer Ipad;

15 zaktelefoon Blackberry;

16 zaktelefoon Iphone 6;

17 zaktelefoon Blackberry;

18 zaktelefoon Samsung;

19 zaktelefoon Yama Yahoo;

20 zaktelefoon GSM Wiko;

21 zaktelefoon Iphone S4;

22 zaktelefoon Blackberry;

25 zaktelefoon Blackberry;

27 zaktelefoon Nokia.

Bovengenoemde voorwerpen zijn onder de verdachte in beslag genomen en hij kan redelijkerwijs als rechthebbende worden aangemerkt.

12.4

Teruggave aan de rechthebbende

De volgende voorwerpen zullen aan [partner verdachte] worden teruggegeven, nu zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt:

8 horloge Hublot (IBN-code: CH29C.03.03.001);

11 80 mg tadaga power;

12 zaktelefoon Blackberry;

26 80 mg gele pillen.

12.5

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Het volgende voorwerp zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende:

28 zaktelefoon Blackberry.

13 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 48, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde.

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak B, onder 2, onder de eerste vier gedachtestreepjes, tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 subsidiair tenlastegelegde en in de zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 621 (zeshonderdeenentwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2 personenauto Range Rover;

4 horloge Hublot (IBN-code: CH29C.01.01.003);

6 horloge Hublot (IBN-code: CH29C.03.02.003).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

24 gripzakje wit poeder;

29 gripzakje wit poeder.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3 geld, 10,00 euro;

5 horloge Rolex Oyster;

7 horloge Polo country;

10 busje pepperspray;

13 zaktelefoon Blackberry;

14 computer Ipad;

15 zaktelefoon Blackberry;

16 zaktelefoon Iphone 6;

17 zaktelefoon Blackberry;

18 zaktelefoon Samsung;

19 zaktelefoon Yama Yahoo;

20 zaktelefoon GSM Wiko;

21 zaktelefoon Iphone S4;

22 zaktelefoon Blackberry;

25 zaktelefoon Blackberry;

27 zaktelefoon Nokia.

Gelast de teruggave aan [partner verdachte] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

8 horloge Hublot (IBN-code: CH29C.03.03.001);

11 80 mg tadaga power;

12 zaktelefoon Blackberry;

26 80 mg gele pillen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

28 zaktelefoon Blackberry.

Heft op het (op 28 februari 2019 reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Fetter, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. C. Roseboom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2023.

Bijlage I – Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

zaak A, feit 1 primair (ZD03)
hij in of omstreeks de periode van 24 januari 2016 tot en met 15 februari 2016 te Rotterdam en/of Vlaardingen en/of Santos (Brazilië), in elk geval in Nederland en/of Brazilië,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een grote hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad;


zaak A, feit 1 subsidiair (ZD03)
hij in of omstreeks de periode van 24 januari 2016 tot en met 15 februari 2016 te Rotterdam en/of Vlaardingen, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht,

een grote hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad; bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte in of omstreeks voornoemde periode behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door opzettelijk een loods en/of parkeerterrein, althans een locatie (te weten het bedrijf [bedrijf 1] te Vlaardingen) ter beschikking te stellen voor de aflevering en/of de op- en/of overslag van een voornoemde hoeveelheid cocaïne;


zaak A, feit 2 (ZD05)
hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2016 tot en met 30 maart 2016 te Rotterdam en/of Vlaardingen en/of Cartagena (Colombia), in elk geval in Nederland en/of Colombia,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 238 kilogram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad;


zaak B, feit 1 (ZD06)
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 januari 2016 tot en met 19 april 2016

te Rotterdam en/of Schiedam en/of Vlaardingen en/of Den Haag en/of Bleiswijk en/of Antwerpen, althans in Nederland en/of België

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 8] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of een (of meer) andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, en/of 10a eerste lid Opiumwet;


zaak B, feit 2 (ZD11)
hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juni 2016 te Vlaardingen en/of Hilversum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) van een of meer voorwerp(en), waaronder:

-In of omstreeks de periode van 31 maart 2014 tot en met 5 oktober 2015 een (contant) geldbedrag van (in totaal) 14.060 euro (12 contante stortingen op rek.nr. [rekeningnummer 1] t.n.v. [partner verdachte] ) en/of

-In of omstreeks de periode van 16 januari 2014 tot en met 8 september 2015 een (contant) geldbedrag van (in totaal) 18.720 euro (17 contante stortingen op rek.nr. [rekeningnummer 2] t.n.v. [partner verdachte] ) en/of

-In of omstreeks de periode van 31 maart 2014 tot en met 5 oktober 2015 een (contant) geldbedrag van (in totaal) 19.829,90 euro (19 contante stortingen op rek.nr. [rekeningnummer 3] t.n.v. [persoon 3] ) en/of

-In of omstreeks de periode van 29 december 2014 tot en met 6 november 2015 een (contant) geldbedrag van (in totaal) 4.610 euro (8 contante stortingen op rek.nr. [rekeningnummer 4] t.n.v. [verdachte] ) en/of

-Op 12 februari 2016 een personenauto, merk Range Rover, met kenteken [kenteken 2] en/of

-In of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juni 2016 één of meer horloge(s) van het merk Hublot (IBN-code: CH29C.01.01.003 en/of CH29C.03.03.001 en/of CH29C.03.02.003),

Althans van enig(e) voorwerp(en)

de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is

en/of

die voorwerpen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bijlage II – Bewijsmiddelen

[…]