Strafrecht overig

Aanwezig hebben 1.068 hennepplanten in woning. Vrijspraak hennepteelt en diefstal elektriciteit.

Zaakgegevens

Op 31 januari 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
31 januari 2023
Datum publicatie
31 januari 2023
Zaaknummer
23-004716-19
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:219
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Aanwezig hebben 1.068 hennepplanten in woning. Vrijspraak hennepteelt en diefstal elektriciteit.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004716-19

datum uitspraak: 31 januari 2023

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-067893-19 tegen

[verdachte01] ,

geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1974,

adres: [adres01] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 2 juli 2018 te Blokker, gemeente Hoorn opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres02] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1068 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij, op één of meer tijdstippen in de periode van 12 februari 2018 tot en met 2 juli 2018 te Blokker, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres02] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit/stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit/stroom onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De politie heeft op 2 juli 2018 een hennepkwekerij met ongeveer 1.068 hennepplanten aangetroffen in een van de woningen van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij van de hennepkwekerij op de hoogte was en destijds in die woning heeft geklust.

Uit een telefoongesprek tussen de verdachte en zijn ex-partner blijkt dat de verdachte wist hoeveel hennepplanten er ongeveer in de woning stonden en dat het nog twee weken zou hebben geduurd voordat voor de tweede keer geoogst kon worden. Uit een tweede telefoongesprek blijkt dat de verdachte schulden had bij vrienden en deze wilde afbetalen uit de opbrengsten van de hennepkwekerij.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten. Er kan niet worden vastgesteld dat de verdachte zelfstandig handelingen met betrekking tot het opzetten en onderhouden van de hennepkwekerij heeft verricht, zodat de verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennepplanten. Medeplegen is niet ten laste gelegd.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Niet wettig en overtuigd is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit. Evenals ten aanzien van het telen geldt hier dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelfstandig handelingen met betrekking tot de diefstal van elektriciteit heeft verricht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ook anderen dan de verdachte betrokken waren bij de hennepkwekerij. De verdachte heeft wetenschap van de diefstal ontkend en concrete gedragingen van de verdachte waaruit zijn betrokkenheid bij de diefstal kan worden afgeleid, ontbreken. Niet ten laste is gelegd dat de verdachte de diefstal heeft medegepleegd. De verdachte zal gelet daarop worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 2 juli 2018 te Blokker, gemeente Hoorn, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres02] ) een hoeveelheid van in totaal ongeveer 1068 hennepplanten.

Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren (subsidiair 120 dagen hechtenis) en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft verzocht een taakstraf op te leggen voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door ongeveer 1.068 planten in zijn woning aanwezig te hebben. Het ging om een grote hoeveelheid hennepplanten die aanwezig waren voor de handel. Met de opbrengsten van de kwekerij wilde de verdachte zijn schulden als gevolg van zijn verslaving betalen. Door zo te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale circuit rondom de handel en het gebruik van softdrugs. Een (voorwaardelijke) gevangenisstraf is, ook gelet op straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, bij een hennepkwekerij van deze omvang een passende reactie.

Het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank en zal daarom een lagere straf opleggen dan in eerste aanleg is opgelegd. Ook de eis van de advocaat-generaal wordt hierom niet gevolgd.

Het hof acht, alles afwegende en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Gelet op het tijdsverloop vanaf de aanvang van het hoger beroep en de uitspraak in hoger beroep dient bij de bepaling van de duur van de taakstraf rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De verdachte heeft op 30 december 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 31 januari 2023 uitspraak doet. Naar het oordeel van het hof is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van een jaar en een maand, terwijl die overschrijding niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Om die reden zal het hof de op te leggen taakstraf matigen tot 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Alhoewel de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het onderhavige feit en de omstandigheden niet kan worden volstaan met een (nog) lagere taakstraf, zoals door de verdediging is bepleit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand .

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis .

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P. den Otter, mr. A.P.M. van Rijn en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 januari 2023.

mr. R.P. den Otter en A.P.M. van Rijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.